Categorie archieven: Fictie

Liefde

Oma en Elias

Er was eens, in een klein dorp tussen de heuvels, een jongen van tien jaar die Elias heette. Hij woonde aan de rand van het bos, in een huisje waar de wind altijd zachtjes langs de ramen floot. Elias hield van tekenen, van bomen beklimmen en van stilte. Maar het allermeest dacht hij na over één vraag:

“Waarom voelen mensen zich soms alleen, terwijl er zoveel mensen zijn?”

Zijn oma glimlachte altijd als hij dat vroeg.

“Misschien,” zei ze dan, “omdat mensen vergeten wie ze werkelijk zijn.”

Dat vond Elias een vreemd antwoord.

Op een middag, vlak voor de zomer begon, gaf zijn oma hem een klein houten doosje. Het was oud en glad geworden door vele handen.

“Wat zit erin?” vroeg Elias.

“Dat kun je alleen ontdekken als je het niet probeert open te breken,” zei ze geheimzinnig. “Neem het mee naar buiten. En luister.”

Elias snapte er niets van, maar hij stopte het doosje in zijn jaszak en ging naar buiten. In het midden van het dorpje was een klein park, met prachtige oude bomen.

Het was stil tussen de bomen. Alleen vogels zongen ergens hoog boven hem.

Op een bankje in het park zat een meisje, ze had donker krullend haar en keek verdrietig naar de grond.

“Hallo,” zei Elias voorzichtig.

Het meisje keek op. “Hoi.”

“Ik ben Elias.”

“Ik heet Mira.”

Ze zwegen even.

“Waarom kijk je zo verdrietig?” vroeg Elias.

Mira haalde haar schouders op. “Omdat ik denk dat niemand me echt aardig vindt.”

Elias ging naast haar zitten.

“Ik denk dat mensen mij soms vergeten,” zei Mira zacht. “Alsof ik er niet echt bij hoor.”

Elias dacht aan de woorden van zijn oma.

“Misschien vergeten mensen soms wie ze werkelijk zijn,” zei hij langzaam.

Mira keek hem verbaasd aan. “Wat bedoel je?”

Elias haalde het houten doosje uit zijn zak.

“Dat probeer ik juist te begrijpen.”

Mira draaide het doosje om in haar handen. Er zat geen slot op, het had geen klepje. Er stond alleen één zin op, heel klein in het hout gegraveerd:

¨Wat je zoekt, draag je al bij je.¨

“Dat is een rare zin,” zei Mira.

“Dat dacht ik ook.”

Ze zaten een tijdje stil. Toen zei Mira:

“Mijn vader zegt altijd dat liefde iets is wat je moet verdienen.”

Elias trok een grasspriet uit de grond.

“Maar bomen verdienen toch ook geen zonlicht?”

Mira keek omhoog.

“En vogels hoeven niet eerst perfect te vliegen voordat de lucht van hen houdt,” ging Elias verder.

Mira glimlachte een beetje.

Toen gebeurde er iets vreemds.

Het doosje werd warm.

Niet heet, maar meer alsof er zacht licht in zat.

Elias hield zijn adem in. Langzaam ging het doosje vanzelf open.

Binnenin lag… niets.

“Leeg?” zei Mira verbaasd.

Elias voelde teleurstelling opkomen. “Misschien is het stuk.”

Maar toen zagen ze iets op de bodem staan. Kleine letters, bijna onzichtbaar:

¨Liefde is niet iets wat je krijgt. Liefde is wat je bent.¨

De wind streek door de bomen alsof het bos zelf luisterde.

Mira fluisterde de woorden opnieuw.

“Liefde is wat je bént…”

“Maar hoe kan dat?” vroeg Elias.

Op dat moment hoorden ze het grind kraken, er kwam een oude man met een blauwe jas langzaam hun kant oplopen, in zijn handen droeg hij een mand vol appels.

“Ik denk,” zei hij glimlachend, “dat jullie net een belangrijke ontdekking hebben gedaan.”

“Wie bent u?” vroeg Mira.

“Gewoon iemand die graag wandelt,” zei de man.

Hij ging tegenover hen in het gras zitten alsof hij alle tijd van de wereld had.

“Veel mensen denken,” zei hij, “dat liefde betekent dat iemand zegt dat je goed genoeg bent. Maar echte liefde kijkt anders.”

“Hoe dan?” vroeg Elias.

“Echte liefde ziet al dat je goed bent. Zelfs wanneer jij het vergeet.”

Mira keek naar haar schoenen.

“Maar soms maken mensen gemene opmerkingen.”

“Dat klopt,” zei de man zacht. “Mensen vergeten soms hun eigen licht. En wanneer iemand zijn eigen licht vergeet, ziet hij het ook moeilijker in anderen.”

“Dus als iemand gemeen doet…” begon Elias.

“…dan vraagt die persoon eigenlijk om liefde,” maakte de man de zin af.

Mira fronste.

“Dat is moeilijk.”

“Ja,” zei de man. “Maar moeilijk betekent niet onmogelijk.”

Hij pakte een appel uit zijn mand en gaf hem aan Mira.

“Stel je voor dat de zon alleen zou schijnen voor perfecte mensen. Dan zou de wereld donker worden.”

Mira moest lachen.

“Dat zou raar zijn.”

“Liefde lijkt op zonlicht,” zei de man. “Ze kiest niet. Ze straalt gewoon.”

Elias voelde iets warms in zijn borst. Alsof hij iets begreep wat hij niet in woorden kon uitleggen.

De man stond op.

“Onthoud één ding,” zei hij. “Iedere keer dat je iemand echt vriendelijk aankijkt, herinner je die persoon even aan wie hij werkelijk is.”

“En wie zijn we dan werkelijk?” vroeg Mira.

De oude man glimlachte.

“Meer liefde dan angst.”

Toen liep hij verder tussen de bomen tot hij verdwenen was.

Die avond liep Elias naar huis terwijl de lucht roze kleurde. Het houten doosje voelde niet meer zwaar in zijn zak.

Thuis zat zijn oma thee te drinken.

“En?” vroeg ze.

Elias ging naast haar zitten.

“Ik denk dat ik het snap.”

Zijn oma glimlachte.

“Vertel.”

Elias dacht even na.

“Ik denk… dat liefde niet iets is wat opraakt, het is er gewoon altijd, alleen vergeten mensen het soms.”

Zijn oma knikte langzaam.

“En wat gebeurt er als iemand het zich weer herinnert?”

Elias glimlachte.

“Dan voelen andere mensen het ook.”

Zijn oma keek hem trots aan.

“Dat,” zei ze zacht, “is een wonder.”

Die nacht lag Elias in bed terwijl de maan door het raam scheen. Hij dacht aan Mira. Hij dacht aan de oude man en aan de woorden in het doosje.

¨Liefde is wat je bent.¨

Voor het eerst voelde die zin niet vreemd.

Hij voelde waar.

En ergens diep van binnen wist Elias ineens: misschien was niemand ooit echt alleen.

Misschien waren mensen soms gewoon vergeten, hoeveel licht ze samen droegen.

 

Het Licht in de Ander

Haan in het licht

Er was eens een klein dorpje aan de rand van een uitgestrekt bos, waar de dagen langzaam voorbijgingen en waar mensen elkaar bij naam kenden. In dit stadje woonde Léon, een gereserveerde man van middelbare leeftijd die zijn dagen doorbracht met het restaureren van oude boeken in zijn kleine werkplaats. Hij had weinig contact met anderen. Niet uit afkeer, maar omdat hij geloofde dat hij alleen beter af was.
“Hoe minder connecties je hebt, hoe minder je lijdt,” herhaalde hij vaak in zichzelf.

Op een regenachtige donderdag trok er in het huis naast hem een nieuwe buurvrouw in: Elena. Zij was warm en spontaan, ze leek haast het tegenovergestelde van Léon.
Binnen een paar dagen kende ze iedereen in de straat. En, tot Léons grote ontsteltenis, begon ze hem elke ochtend opgewekt te begroeten.

“Goedemorgen, Léon!” zei ze met een glimlach, zelfs toen hij knikte zonder een woord te zeggen. Op een ochtend stond Elena voor zijn deur met een taart in haar hand.
“Ik heb iets voor je gemaakt,” zei ze. “Gewoon omdat we buren zijn.”
Léon aarzelde.
Hij wilde haar bedanken en de deur dichtdoen, maar iets in haar blik, die zacht, open, zonder verwachting was, hield hem tegen.
Aarzelend nodigde hij haar binnen.

Ze praatten. Of beter gezegd, Elena praatte, en Léon luisterde. Ze vertelde hem over haar verhuizing, haar hoop om meer rust te vinden in deze stad, haar liefde voor oude boeken. Léon merkte dat hij glimlachte. Niet omdat haar verhalen bijzonder waren, maar omdat hij haar oprechtheid voelde.

Die dag was ze als buurvrouw binnengekomen, maar als iets anders vertrokken. Misschien een vriendin? Hoewel hij dat woord nog niet wilde gebruiken.

In de weken die volgden, namen de bezoeken toe. Soms bracht Elena thee of koffie mee, soms gewoon haar aanwezigheid. En steeds vaker luisterde Léon niet alleen, hij praatte. Over zijn werk, zijn verleden, hoe hij in het verleden gekwetst was. De redenen voor zijn terugtrekking.
Elena luisterde zonder te oordelen.
Ze zei iets dat Léon diep raakte: “De pijn die je voelt, wordt niet veroorzaakt door wat anderen hebben gedaan, maar door wat je over jezelf bent gaan geloven.”
Hij fronste. “Wat bedoel je?”
“Je bent gaan geloven dat je anders bent. Maar dat is niet waar. Wat echt is, kan niet bedreigd worden. Wat onwerkelijk is, bestaat niet.”
Het klonk vreemd, bijna poëtisch, maar het bleef hem bij.
Die nacht droomde Léon dat hij door een spiegel liep. Aan de andere kant zag hij zichzelf, maar hij was er als licht. Een licht dat over alles en iedereen uitstraalde. En overal waar hij keek, zag hij hetzelfde licht ook in anderen. Zelfs in degenen die hem pijn hadden gedaan. Toen hij wakker werd, voelde hij een diepe vrede.
In de dagen erna begon hij de dingen anders te zien. Niet omdat de wereld was veranderd, maar omdat hij ze anders zag.
Op een ochtend vroeg Elena: “Waarom kijk je zo naar me?”
“Ik zie in jou iets wat ik in mezelf zag,” zei Léon. “Licht. Vrede.”
Ze glimlachte. “Dus je begrijpt eindelijk wat altijd al waar is geweest.”

Maar het leven is het leven. Op een dag ontving Léon een brief van zijn broer, met wie hij al jaren geen contact meer had gehad. De brief was met koude woorden geschreven. Een aankondiging van een erfenis, niets meer. Geen warme woorden, geen uitnodiging om te praten. De oude pijn keerde terug, als een storm die hij niet had zien aankomen. “Elke keer dat ik probeer me open te stellen, voel ik me zo naar,” zei hij tegen Elena, “misschien had ik er wel goed aan gedaan me af te sluiten.”
Ze zweeg even. Toen zei ze zachtjes: “Wat je nu voelt, is niet het resultaat van zijn brief, maar van jouw interpretatie. Wat als je alleen maar liefde wilde zien, ongeacht wat anderen doen?”
Hij keek haar aan. “Maar hij verdient mijn vergeving niet.” »
“Elke keer dat je weigert te vergeven,” zei ze, “sluit je jezelf op in een cel van je eigen gedachten. Vergeving is geen geschenk dat je aan een ander geeft. Het is een bevrijding van jezelf.”

Léon bleef stil. Hij wist dat ze gelijk had. Die avond schreef hij een brief terug. De brief was noch lang, noch ontroerend. Het bevatte slechts één zin: “Ik ben er klaar voor je anders te zien.”
Hij verstuurde hem zonder verwachting.
In de weken die volgden, voelde hij zich lichter. Alsof iets waar hij jarenlang aan had vastgeklampt, nu was losgelaten. En met die loslating kwam er ruimte, ruimte voor nieuwe perspectieven, voor meer vriendschap, voor vreugde.

Op een dag vroeg hij Elena: “Wat heeft je hier eigenlijk gebracht? Naar deze stad?”
Ze glimlachte. “Ik zocht naar vrede. Maar ik vond iets beters: herinnering. De herinnering aan wie we werkelijk zijn.”
“En wat zijn we dan?” vroeg Léon.
Ze keek hem recht in de ogen. “Wij zijn liefde. Al het andere is illusie.”
Léon lachte, maar deze keer zonder cynisme. “Misschien heb je gelijk.”

En op dat moment wist hij het zeker: vriendschap wordt niet opgebouwd of verdiend. Het is iets dat we ons herinneren. Het is een band die nooit breekt, die we alleen maar vergeten. En door te kiezen voor liefde, vergeving en verbinding, herinneren we ons wie we zijn. En wie de ander is.

Want in de ander herkennen we onszelf altijd.

Het kasteel op de heuvel

Oude muur

Terwijl ik het gordijn open schuif vallen de eerste zonnestralen op mijn oogleden. Ik knipper met mijn ogen, na twee dagen regen zijn mijn irissen zoveel licht niet meer gewend. Vandaag mag je met me mee naar boven lopen of eigenlijk mag ik met jou meelopen. Zo voelt het ook. We lopen hand in hand het eerste stuk door het dorp, tot we aan de rand de geplaveide straten verlaten en de bergweggetjes gaan volgen. Ik zie je nu van achter, ik volg je waar je ook gaat. Jouw voeten zoeken hun grip in het gras, de modder, de al gevallen bladeren. Het is nog zomer en de eerste zweetdruppels van deze dag voel ik langs mijn hoofd in mijn nek afdalen, ook jouw haren worden al wat vochtig. Het geeft niet, want we lopen in dezelfde cadans rustig met iedere stap iets hoger. Van een afstand hadden we het kasteel al zien liggen op de top van een rotsformatie. Maar nu we hier lopen is er niets meer te zien, alleen jij, jouw adem is te horen, de ademhaling die mij ook rustig maakt. Het liefst pak ik weer je hand, maar ik weet dat ik deze weg ook alleen kan lopen. Dat is waarschijnlijk ook beter, want naast elkaar op het te smalle pad zou zeker resulteren in een kleine val in de afgrond naast ons. Het bos neemt ons op en het pad leidt de weg. Het voetpad waar af en toe een muis oversteekt, een rups groter dan mijn hand, een eekhoorn die beschutting zoekt in de struiken.

Een half uur lopen had Google gezegd, volgens mij wordt het een tocht van anderhalf uur, maar het geeft niet, want ik loop hem met jou.

En ineens is daar weer licht boven ons, de boomkruinen houden op, het pad wordt vlakker en ik kan de eerste stenen van een oude muur aanraken. We blijven even naast elkaar staan. Er loopt nog een druppel van je voorhoofd naar je kin en voordat hij deze bereikt heb ik hem opgevangen met mijn wijsvinger en proef ik de zoute smaak, van jou. De tijd lijkt eeuwig te duren terwijl ik je even in de ogen kijk, het zijn zulke mooie kleuren die in dit zonlicht nog weer iets anders tonen, iets dat ik nog niet eerder had gezien. Er zit een zweem van mystiek in, een vage vlam van helder bruin en groen.

Het valt me nu pas op dat achter jou het kasteel al zichtbaar. Ik mag je een kus geven voor we naast elkaar en gelukkig weer hand in hand de oude wereld binnenstappen.

 

Associatieoefening

Associatieoefening Schrijversacademie

Nog geen deelnemer van de schrijversacademie te bekennen als ik het oude Philipsgebouw betreed. De cursus start over twintig minuten en ik heb de tijd om een beker heet water te tappen en de deur te openen naar een binnentuin. De lentezon heeft de ochtenddauw verdreven en doet haar best om de houtenvlonder, die de tuin voor de helft bestrijkt, te
verwarmen. Er staan acht witte ronde stalen tafels verdeeld over het plankier met tegen elke tafel vier schuin opgestelde stoelen. Ik zet een van de stoelen recht en ga zo zitten dat niet alleen de vlonder maar ook ikzelf opgewarmd word.
‘Koppie in de zon,’ riep mijn moeder altijd.
En ik sluit mijn ogen en laat de koperen ploert op mijn hoofd schijnen.

De acht tafels veranderen achter mijn oogleden in tipi’s en uit een van hen komt het vrolijke koppie van mijn vriendje Jaap.
‘Hé, kom je binnen voordat de kouwbois je zien,’ roept hij, ‘we wachten tot het donker is, dan sluipen we over de prerie en vallen de kouwbois aan.’
‘Dan ga ik vast kijken of onze paarden goed zijn vastgebonden,’ zeg ik en kruip over de prairie naar de struiken. Als ik achterom kijk, zie ik Japie achter de tipi vandaan komen.
‘Er zitten allemaal bladeren in je haar,’ roep ik.
‘Oef, nee joh! Ik ben het opperhoofd en dit zijn mijn veren.’

‘Foppe, kom je binnen? We gaan beginnen.’
Heerlijk, die zaterdagen die in het teken staan van schrijven en vooral het vrije denken. Mijn fantasie omzetten in woorden die er eerst nog niet waren. Dit zijn de onbetaalbare uren waarin ik met andere aankomende schrijvers op zoek ga naar de ultieme schrijfkunst.

Dadels en rozijnen

Dadels

‘Hier, moet je eens proeven,’ zegt ze en houdt een doosje voor mijn neus met daarin vruchten in de vorm van overdreven grote rozijnen. Ik kijk haar vragend aan, terwijl ik een plakkerige vrucht uit het doosje probeer los te trekken van zijn soortgenoten.
‘Het zijn geen rozijnen,’ lacht ze, ‘dat zal ik je nooit aandoen. Dit zijn dadels, heel zoet, daar houd jij vast wel van.’
Ik observeer de vrucht op armlengte en kan me werkelijk niet voorstellen dat ik ooit van deze levensgrote rozijn zal gaan houden.
Voorzichtig stop ik ‘m midden in mijn mond, ik proef niets. Maar ik weet dat mijn lichaam het zwaar gaat krijgen als ik een opening in de huid van de vrucht moet bijten.
Het moment is daar dat ik de dadel niet langer anoniem in mijn mondholte kan houden. Het kauwmechanisme is gewend dat het in werking treedt zodra iets niet lichaamseigen mijn mond binnenkomt.
Ik hoor gekraak tussen mijn kiezen als ik de huid verpulver.
De smaak zet me even op het verkeerde been, een zoetige substantie. Normaal gesproken ben ik toch niet vies van zoet, maar blijkbaar werkt het anders in combinatie met deze afstotelijke gedachte.
Ik voel dat het vruchtvlees van de dadel, na zoveel maanden opgesloten te hebben gezeten in het vel van de vrucht, langs mijn kiezen naar de speekselklieren vlucht en ze aanzet tot overmatige productie. Mijn maagdarmstelsel begint in reverse mode te werken, als ik nu niet snel ben, gaat ’t echt mis.
Ze kijkt me aan: ‘Ik weet al voor wie de rest van de inhoud van dit doosje is.’
En kruipt in de hoek van de bank met haar kopje thee en spannende leesboek. Voor de zekerheid zoek ik even de kleinste ruimte op en besluit dat ik voortaan alles, wat maar een beetje op een gedroogde vrucht lijkt, in dankbaarheid in ontvangst ga nemen en ga afgeven aan mijn liefje op de bank.

 

Een nieuwe hond

Noukie
Met dank voor het poseren aan Noukie, de hond van Astrid en Stefan Beumer. Het verhaaltje gaat niet over jou hoor, maar je bent wel een knapperd.

‘Zal ik hem dan maar achterin zetten?’ vraagt de man met de mand in zijn armen.
‘Vooruit, doe het maar,’ zeg ik, terwijl ik een paar hondstrouwe ogen naar me zie staren.

Hoeveel jaar was het geleden dat ik afscheid moest nemen van de diep bruine ogen van Bruno en mijn moeder mij de volgende dag al meenam naar het asiel om een ‘nieuwe’ uit te zoeken.
Het was woensdagmiddag en ik rende zo snel ik kon het schoolplein af, sloeg rechtsaf de Oude Kerkstraat in, langs fietsenmaker Schultenaar waar altijd een zwarte racefiets in de etalage hing. Ooit ga ik die kopen, dan ben ik nog sneller thuis. Maar deze keer bleef ik er niet bij staan kijken. Mijn moeder had gezegd dat we iets leuks gingen doen als ik uit school kwam. Na de brug over het kanaal moest ik linksaf en dan kon ik de televisie-antenne van ons huis al zien. Het huis zelf zat verscholen achter meters hoge coniferen.
‘Je jas op de kapstok hangen, handen wassen en dan eerst je boterhammen opeten,’ zei mijn moeder toen ik binnenstoof.
‘Maar we gaan iets leuks doen hè?’
Ik gleed op mijn stoel, vouwde mijn handen en prevelde, ‘laat het écht iets leuks zijn, amen.’
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze met een glimlach.
Van schrik stootte ik mijn melk om.
‘Verdorie, nog eens aan toe. Let toch ook beter op,’ mopperde ze en haalde met flinke slagen een vaatdoek over de tafel.
Ik keek achter me. In de hoek bij de koelkast lag hij in zijn mand en het leek of hij lag te slapen. Zijn bruine flaporen lagen over zijn snuit, die normaal gesproken op en neer bewogen op het ritme van zijn uitademing.
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze weer met die glimlach, ‘en pappa zorgt ervoor dat Bruno in de tuin begraven is voor we terug zijn. Eet maar snel je boterhammen op.’
En terwijl ik een hap probeerde te nemen voelde ik dat een brok het slikken verhinderde. Vreemd dacht ik nog, ik had nog geen hap genomen en toch wilde er niets door mijn keel. Ik veegde met mijn mouw de tranen af.
Gisteravond had ik de buurvrouw tegen mijn moeder horen snikken: ‘maar een kind moet je niet gelijk een nieuw hondje geven, het moet eerst rouwen.’
Het is dezelfde buurvrouw die ik niet anders ken dan met een grote rode zakdoek in haar handen, steeds de tranen van haar gezicht vegend. Mama had gezegd dat haar zoontje vier jaar geleden is verdronken in het kanaal.

‘Vooruit doe het maar,’ zeg ik, terwijl mijn zoontje me met rood doorlopen ogen aankijkt en de fokker de mand achter in de auto schuift.
‘Dit is een nieuwe hond, hè papa en deze is helemaal alleen van mij,’ snikt de kleine.

Volto Santo in Lucca

Volto Santo

Laat in de middag komt Martino met zijn mannen aan op het strand van Luni. De reis van het eiland bij Genua door het Noordelijke gedeelte van de Apennijnen tot aan de Toscaanse archipel is vreedzaam verlopen. Zelfs in de bergpas bij het witte marmer van Carrera waren geen rovers te zien geweest. De paarden zijn moe, maar nog goed in staat om vooruit te komen en de houten kar met het Gezicht is heel gebleven.
In de verte ziet Martino het schip liggen. De golven spelen ermee, maar het blijft liggen als een rots in de branding, rechtop en verroert zich niet. Op het strand verdringen zich honderden mensen die op veilige afstand nieuwsgierig, maar met angstige gezichten naar het vaartuig kijken. Zodra ze Martino en zijn gevolg zien snellen ze in zijn richting en proberen hem en zijn tunica aan te raken. Hij is gewend dat mensen hem willen aanraken in de hoop op genezing of een verandering in hun leven. Toen hij jong was, had hij genoten van de magische krachten die hij bezit en de aandacht die dat oplevert. Nu zoekt hij steeds meer de rust op en heeft hij een paar maanden geleden zijn toevlucht genomen op een eiland bij Genua.
Maar toch, toch staat hij nu hier tussen al die mensen.

Martino kijkt achterom en ziet zijn beste vriend Andreas dichtbij de kar met het Gezicht. Hij wendt zijn paard en gaat naast hem rijden.
‘Laten we verderop op het strand ons kamp inrichten’ zegt Martino, ‘daar hebben we beschutting van de duinen en kan de kar goed in het oog gehouden worden.’
Al vanaf hun jeugd in Hongarije zijn ze de beste vrienden, overal waar Martino gaat, wijkt Andreas niet van zijn zijde.
‘De nacht zal snel intreden, we maken een vuur en leggen er onze slaapmatten om heen. Een paar wachters zullen de mensen wel op afstand houden. Morgen zullen we een kijkje nemen bij het vastgelopen schip.’

Martino werd rond 316 na Chr. geboren in Savaria in Hongarije. Zijn vader was een Romeinse veldheer en hij groeide beschermd op met zijn drie zussen in een huis aan de rand van de stad. Zijn vader was een rijke officier, daardoor hadden ze thuis onderricht in rekenen, schrijven en lezen. Aangezien hij werd opgeleid voor een loopbaan in het leger, moest hij ook leren zwaard vechten. Het is vele malen gebeurd dat zijn moeder hem moest zoeken om naar de lessen te gaan.
‘Martino, Martino!’ riep zijn moeder dan, ‘waar hangt die jongen nu weer uit. Martino, de leraar wacht op je.’
De zware houten deur van de gebedsruimte zwaaide open.
‘Aha, zit je hier weer. De leraar wacht op je en hoe vaak moet ik het nog zeggen dat je gewoon naar je les moet gaan en van die koeken en het fruit af moet blijven.’
Eerlijk gezegd was de studie en zeker het zwaard vechten niet echt waar zijn hart naar uitging. Als het even kon, was hij te vinden in de zes meter hoge ruimte dat aan het huis gebouwd was. Het was de plek voor het Offeren aan de Huisgoden, Lares en Penates. Zij beschermden de familie tegen onheil, door middel van koeken, vruchten en kruiden die in een vuurbak gelegd werden en waarbij zijn vader, de pater familias, in gebeden voorging. Meestal nam Martino wat restjes van de offeranden mee en gebruikte dat voor de verweesde jonge dieren die hij samen met Andreas opving.
Het was ongelofelijk stil in dit gedeelte van het huis. Andreas had een kleed en een zitkussen in de hoek van de ruimte gelegd en zat daar bijna elk moment van de dag. Het was een mooie plek om te fantaseren, terwijl de zon via allerlei kieren de ruimte binnen wist te dringen. Het mooiste moment van de dag was rond het middaguur, dan scheen de zon door een hoog raam op het Gezicht.

‘Dit is de laatste keer dat ik mijn krachten gebruik voor een duiveluitdrijving, Andreas’, zegt Martino, ‘het wordt tijd om afstand te doen van het Gezicht, ik heb mijn rust nodig.’
In de ogen van Andreas ziet Martino verdriet zoals hij dat vroeger zag als een zwerfdier het uiteindelijk toch niet overleefde.
Andreas draait zich om: ‘De keuze is aan jou, Martino. Maar of het je rust gaat geven betwijfel ik. God zal je de juiste weg wel wijzen.’
Zijn mannen hebben het vuur klaar gemaakt en zorgen voor de wacht, twee man blijven met hun volle aandacht bij de kar met het kruisbeeld en ook Andreas zal zijn zitkussen naast het beeld plaatsen en waakzaam zijn. Hoe hij dat volhoudt weet Martino niet, maar de ogen van zijn vriend heeft hij nog nooit dicht gezien.

Sinds keizer Constantijn de Grote aan de macht was gekomen, had Martino’s Romeinse familie zich naar het Christendom bekeerd. En vanaf die tijd hing de Volto Santo, het Heilige Gezicht hoog boven de huisgoden in een apart gedeelte van hun huis. Zijn vader had verteld dat het kruisbeeld al eeuwen in bezit van hun familie was. Een voorouder die Nicodemus heette, had Christus van het kruis genomen en later een beeld naar zijn gelijkenis gesneden uit een ceder van Libanon.
Het Gezicht gaf hem altijd een prettig gevoel, er straalde rust van uit, net of het wilde zeggen: ‘Het is goed Martino, jij bent niet op aarde om te vechten, maar om goed te zijn voor de mensen en dieren.’
Martino herinnerde zich nog die keer dat Andreas volledig van streek met zijn hond Tarantula bij hem was gekomen. Tarantula was ziek, doodziek. Op zijn buik voelde hij een dikke uitstulping.
‘Help ons Martino, jij alleen kan ons helpen,’ jammerde Andreas. Martino was op dat moment aan het spelen in de ruimte met de beschermheiligen.
‘Wat kan ik doen? Ik kan geen honden beter maken?’ zei Martino, terwijl Andreas de hond naast hem neerlegde. Martino streelde de hond en voelde met zijn hand de enorme uitstulping onder aan de buik van de hond. Met tranen in zijn ogen keek hij naar het Heilige Gezicht en hij riep: ‘Is er dan geen enkele God die medelijden heeft met dit arme dier, is er dan niemand van jullie die ziet, hoe mijn vriend lijdt?’ En terwijl hij over de bult streelde, voelde hij hoe de spanning van de huid afnam. Hij zag dat het dier langzamer begon te ademen en even zijn kop op tilde, hem aankeek.
‘Via il dolore, per favore,’ sprak Martino, ‘haal de pijn weg, alsjeblieft.’
De bult werd zienderogen kleiner en kleiner, tot de hond zich oprichtte en overgaf, het geluid ging de jongens door merg en been. De hond schudde zich daarna uit, waarbij vlokken haar in de rondte vlogen en begon te eten en te drinken. Op een wonderbaarlijke manier was de hond genezen.
De jaren daarna waren er meer van dit soort voorvallen geweest. Het was niet onopgemerkt gebleven voor zijn ouders en de mensen uit de stad. Elke dag stonden er weer mensen voor het huis, met zieke dieren en mensen.
Natuurlijk kon hij hen niet beter maken, hij was een gewone Romeinse jongen, maar soms, soms gebeurde er iets magisch.
Op zijn vijftiende jaar werd Martino als soldaat, zoals alle jonge Romeinen die zo opgevoed werden, door zijn vader naar Gallië gestuurd, een Romeinse veldheer had zijn hulp ingeroepen. Zijn vader had hem twintig mannen meegegeven en genoeg paarden om hen te dragen en het Gezicht mee te nemen. Martino en het Gezicht moesten bij elkaar blijven. In zijn kielzog trok ook Andreas mee.
Bij de stadspoort van Amiens trof hij een bedelaar, aan wie hij de helft van zijn tunica gaf. Omdat de helft van de mantel eigendom was van Rome kon hij slechts zijn eigen helft weggeven. Deze daad en de wonderen die er rondom hem gebeurden, zorgde ervoor dat mensen van heinde en verre naar hem op zoek gingen. De Romeinse veldheer zette hem niet als vechter in, maar zag in, dat hij op deze manier de Galliërs op zijn hand kon krijgen.
Na dertig jaar als een soort heilige geleefd te hebben, nam Martino het besluit om rust te zoeken en te overdenken wat hij verder in zijn leven zou willen. Martino en Andreas reisden af naar een eiland bij Genua. Ver weg van de mensen die hem kenden, die hem vereerden. Hij had er eerlijk gezegd meer dan genoeg van en wilde een normaal bestaan lijden zoals hij dat van thuis kende in Hongarije.

Vroeg in de ochtend was er al rumoer op het strand. De bisschop van Lucca met zijn gevolg had de hele nacht doorgereden om vandaag Martino te ontmoeten. Hij had veel over hem gehoord en wilde de man nu met eigen ogen zien en spreken.
Een paar dagen geleden had hij een afgezant naar Martino gestuurd met de boodschap dat er een schip was vastgelopen op de kust van Luni, een schip zonder bemanning aan boord. Dat moest het werk zijn van de duivel. De bisschop had gehoord van Martino en de wonderbaarlijke situaties die ontstaan als hij ergens bij werd gehaald.
Met een buiging begroet Martino de bisschop, die op zijn knieën valt en de tunica van Martino in zijn handen pakt.
‘Welkom Martino, helper van de armen en verdrijven van de duivel,’ zegt de bisschop.
‘Beste bisschop, sta op en laat mij U begroeten,’ glimlacht Martino.
‘We gaan straks naar het schip. Ik zal het zuiveren van alle kwade geesten, maar ik heb wel één vraag aan U.’
‘Natuurlijk, vraag mij alles en ik zorg dat het U aan niets ontbreekt,’ zegt de Heilige van Lucca.
‘Neem na afloop het Gezicht mee naar Uw stad en verberg het voor de mensen.’
‘Nee, Martino, dat kan je niet …,’ begint Andreas.
Met een handbeweging maant Martino zijn vriend aan tot stilte.
‘Neem het in alle stilte mee. Zorg dat de mensen het niet te zien krijgen, dat is alles wat ik van U vraag.’
De bisschop belooft het, maakt drie buigingen, slaat een kruis en loopt achteruit bij Martino vandaan.
‘Andreas, vannacht is mij verteld dat het Gezicht van me gescheiden moet worden.’
‘Maar dan scheiden onze wegen ook. Je weet dat ik nu niet meer bij je kan blijven.’
Andrea hoopt dat zijn vriend het besluit nog zal terugdraaien.
Martino omhelst en drukt hem tegen zich aan.
‘Ik moet voor een volgende opdracht terug naar Frankrijk, terug naar Tours. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Dit zal ook ons afscheid zijn. Jouw taak is het om het Gezicht te beschermen. Help me bij het zuiveren van dit schip en ga dan.’

Met een kleine boot varen ze naar het grote ‘duivelse’ schip en als Martino de kiel kan aanraken, zet Andreas met een paar mannen het kruisbeeld rechtop.
Martino zegt: ‘Ecce crucem Domini, fugite partes adversae, vicit Leo de tribu Juda, radix David. Exorciso te, creatura ligni, in nomine Dei patris omnipotentis, et in nomine Jesus Christi filii eius Domini nostri, et in virtute Spritus Sancti. Aanschouw het kruis van de Heer, en mogen zijn vijanden vluchten, de leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen, de wortel van David. Ik exorciseer u, schepsel van hout, in de naam van God de almachtige vader, in de naam van Jezus Christus, zijn zoon en onze Heer, en in de macht van de Heilige Geest.’
Martino en Andreas kijken elkaar aan, een blik vol berusting en vertrouwen.
Via een touwladder klimmen de mannen aan boord en lopen langs de fokkemast en boegspriet. Er was geen schieman, schipper, opperkoopman of zelfs maar een koksmaat te vinden op het vaartuig. Geen vlag, geen encryptie, geen dier en geen duivel treffen ze aan, alleen een grote lading met huiden en kisten vol met zilver.

In ruil voor het kruisbeeld krijgt Martino van de bisschop het schip met inhoud.
De bisschop neemt het Gezicht in alle stilte mee naar Lucca en pas honderd jaar later wordt het geplaatst in de Duomo de St Martino. Mocht je de Duomo ooit bezoeken, kijk dan eens naar de rechterzijkant van de kerk, daar zie je de nooit stervende Andreas zitten. In al die jaren is zijn aandacht nog altijd niet verslapt, zijn blik gericht op de Volto Santo.

Een paar weken na de ruil, als het schip ontdaan van zijn lading en het hoogwater is, lukt het om het schip los te krijgen van de bodem en reist Martino ermee naar Tours in Frankrijk.
Daar zal hij later tot bisschop worden gekozen door de inwoners van die stad. Volgens overlevering vond hij zich niet waardig genoeg voor dat ambt, en verstopte zich in een ganzenhok. Toen zijn aanhangers hem gingen zoeken, gingen de ganzen te keer waardoor zijn schuilplaats ontdekt werd. Zo kwam het dat hij alsnog tot bisschop gewijd kon worden.
Godswegen zijn ondoorgrondelijk.
Ieder jaar wordt nog steeds st. Maarten, zijn naamdag, op 11 november gevierd door de mensen uit Nederland, Vlaanderen, Noord-Frankrijk, sommige Duitse gebieden, Hongarije en op Sint Maarten.

Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen
Dat we hier met lichtjes lopen,
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijk man
Die ons wel wat geven kan,
Geef me appel of een peer,
Ik kom het hele jaar niet meer.

Een zeer kort zomerverhaal

Oma met watermeloen

Mijn altijd glimlachende en heel lieve doch demente oma snijdt elke dag een zeer grote watermeloen voor haar acht volwassen kinderen, maar nu doet ze dat ook in augustus terwijl iedereen in zuidelijk Spanje is, zodat ik daarna leurend langs de hartstikke gesloten dorpsdeuren kan gaan, waardoor ik er onlangs steeds meer van overtuigd ben geraakt dat zij voortaan maar mee moet tot iedereen weer terug is.

(Tel even mee. Klopt het? Eén zin met kop en staart en daarin 7 zelfstandige naamwoorden, 7 bijvoeglijke naamwoorden, 7 bijwoorden en 7 voegwoorden.)

Eigenaardige contactadvertentie

contactadvertentie

‘Nee meneer Chacarut. Ik zeg het nogmaals: NEE, niet doen!’
Terwijl Maria dit uitroept door de telefoon loopt haar gezicht rood aan van de opwinding.
‘Leg de hoorn toch neer,’ zegt Theo, ‘het maakt je helemaal van streek.’
‘Nee, u moet nu goed naar me luisteren, dit mag u echt niet doen,’ gaat Maria verder, ‘en ik ga nu ophangen hoor.’
Met een theatrale beweging wil ze de hoorn op de haak leggen en blijft dan naar het mobiele in haar hand kijken.
‘Je moet even op het rode knopje drukken, Maria, dan verbreekt de verbinding.’
Maria drukt op het kleine zwarte scherm en legt het toestel op het kastje naast de deur.
Ze kan soms zo goed begrijpen dat geen mens iets te maken wil hebben met meneer Chacarut. Het is een intelligente en charmante man, maar bij tijd en wijle ook onuitstaanbaar en gewoon niet te begrijpen.
‘Wat was er nu weer aan de hand?’
Haar man staat op vanuit zijn luie stoel en slaat een arm om haar heen.
‘Kom even rustig zitten, zal ik thee voor je inschenken?’

Maria en Theo wonen in een arbeidershuisje in een buitenwijk van de stad. Veel ruimte hebben ze met zijn tweeën niet nodig. Jaren geleden hebben ze wel een kinderen willen krijgen, maar dat is helaas niet gelukt.
‘Ik begrijp ‘m soms echt niet, Theo,’ snikt Maria, ‘Iris belde me net en vertelde wat hij van plan is. Hij doet haar zoveel verdriet.’
‘Herman doet de mensen heel zijn leven al verdriet.’
‘Meneer Chacarut, Theo. Meneer Chacarut.’

‘Voor mij is hij nog gewoon Herman. Weet je nog dat we met zijn allen op het eindfeest van de middelbare school gezellig zaten te drinken en te pokeren. Herman had het mooiste meisje van de school veroverd. Natuurlijk Maria, jij bent voor mij mijn mooiste meisje, maar Anemoon was voor iedereen een maatje te mooi, behalve voor Herman.’
‘He, zwakkelingen! Kom op, we spelen nog een potje,’ had Herman uitdagend met een dikke sigaar in zijn mond geroepen.
‘Herman, je hebt tot nu toe alles verloren, je hebt helemaal niets meer om mee te spelen. Laten we stoppen en plezier maken rondom het kampvuur,’ hadden de andere scholieren gezegd.
‘Nou, van je vrienden moet je het maar hebben,’ riep Herman uit, ‘ik zet Anemoon in! Als ik verlies mag de winnaar haar een avond hebben.’
Het was muisstil geworden, alle ogen waren op Herman gericht. Had hij dat werkelijk voorgesteld?
‘Oké, ik speel met jou,’ zei Peter.
En hij verloor. Hij had Anemoon ingezet in een spel en verloren.
‘Geen probleem, neem haar maar, zei hij, ‘ik heb verloren en dit hoort er dan bij.’

‘Wat een ongelofelijk arrogante kwast is die Herman toch.’
‘Ja, maar toch heeft hij iets in zich. Want Anemoon is wel bij hem gebleven en met hem getrouwd. En hij is ook goed voor ons geweest, vergeet dat niet, Theo.’

Heel hun werkbare leven werken Theo en Maria al voor meneer en mevrouw Chacarut. Theo houdt het landgoed rond de villa bij en Maria de binnenkant. Meneer Chacarut is een echte businessman. Zijn motto luidt: “Met enkel vrienden verdien ik geen miljoenen.” Had hij maar enkele vrienden gehad, maar zelfs dat is hem in al die jaren niet gelukt.
Het grote vrijstaande huis staat in een bos, ongeveer een kilometer buiten het dorp. Het huis ziet er niet onaardig uit, vrolijk mag je zelfs zeggen. Dat kan je Herman niet nageven, hij ziet er zelf en al zijn spullen picobello uit. Overal zijn bloemen en kleuren. Zelfs dit najaar staan de geraniums nog fier overeind en trekken de aandacht.

Ondertussen trilt het tafeltje bij de deur.
‘Het is jouw mobieltje, Maria.’
‘Met Maria. O, hoi Iris.’
‘…….’
‘Nee, ik heb hem wel gesproken, maar volgens mij luisterde hij niet.’
‘……’
‘Natuurlijk mag je langskomen, je bent altijd welkom. Tot zo!’
Maria blijft even voor zich uit staren met het toestel in haar hand.
‘Fijn dat Iris even langskomt, die arme meid heeft het ook niet makkelijk.’
Ze schonk Theo en zichzelf nog een kop thee in.
‘Ik moet steeds denken aan die keer dat we met zijn zessen naar de Ikea zijn geweest.’

‘Eerst moeten die kinderen weg. Breng ze naar de ballenbak en wel voor de langst mogelijke periode,’ zei Herman, ‘het is al erg zat dat we op zaterdagochtend deze drukte in moeten.’
Wij brachten Jacques en Iris naar de ballenbak en mochten daarna achter Herman en Anemoon aanlopen om op te schrijven wat ze wilden hebben en dat later uit de stellingen op te zoeken.
In elke stand waar we kwamen was Herman bezig geweest de confrontatie te zoeken met medeklanten en personeel van het woonwarenhuis.
‘Wat is dit voor zaak! Kunnen jullie dan helemaal niets leveren wat ik echt wil hebben? Ik ga voortaan wel naar mijn vrienden, die hebben een echte meubelzaak. En jullie volksmensen, ga alsjeblieft eens aan de kant met die jengelende kinderen!’
Op gepaste afstand volgden wij het tafereel samen met Anemoon, die met een rood hoofd steeds een andere kant op keek.

‘Laatste oproep aan de ouders van de kinderen van Jacques en Iris. U wordt verzocht de kinderen op te halen bij de ballenbak,’ klonk er door de luidsprekers van het bedrijf.
‘Herman, we moeten de kinderen nu echt gaan ophalen,’ zei Anemoon schoorvoetend.
‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen. Ik wil helemaal geen kinderen,’ en hij liep pontificaal de zaak uit, naar zijn auto en reed, zonder zich om ons en de kinderen te bekommeren, naar huis. Logisch dat Iris en Jacques na al die voorvallen uiteindelijk niets meer met hun vader te maken wilden hebben.’

‘Rustig nu maar,’ zei Maria, terwijl ze aan haar thee nipte, ‘ik begrijp hem ook niet altijd, maar ik ben enorm blij dat Iris ons regelmatig opzoekt.’

Maria zwaaide naar Iris die het paadje naar de voordeur opliep.
‘Doe jij even open,’ zei ze, terwijl ze een extra kopje uit de kast pakte.
‘Kom binnen,’ zei Theo terwijl hij Iris een dikke knuffel gaf, ‘wat een gedoe weer met je vader!’
‘Wil je thee en appeltaart?’
Maria was in de keuken al druk bezig met een kopje en de schoteltjes voor het gebak.
‘Wat heerlijk om je even te zien, alhoewel de omstandigheden weer niet prettig zijn.’
‘Nee, dat klopt,’ zei Iris terwijl ze een krant die ze al die tijd onder haar arm had op tafel legde,’ zeg dat wel, hij heeft het gewoon al gedaan!’
Vol ongeloof keken Theo en Maria haar aan.
‘Nee echt, kijk maar op pagina zes. Het staat er echt.’

Contact
Weduwnaar 76 jr i.b.v. auto en boot,
wil heel graag een leuke vrouw ontmoeten
om het leven weer wat aangenamer te maken.
Ben jij die ondernemende vrouw die met mij
weer iets van het leven wil maken, bel …..

‘Volgens mij moeten we nu echt je moeder op de hoogte brengen,’ zei Maria zacht en zette met trillende hand het bordje met warme appeltaart op tafel.

(Opdracht: Zoek een contactadvertentie uit de krant en schrijf er jouw verhaal over.)

Engel zonder hoofd (2)

Takot subo

vervolg van Engel zonder hoofd ………
We lopen naar het einde van de begraafplaats, daar waar een groot houten kruis op een heuvel waakt over een ieder die hier rust. De engel wijst ons na alsof het zeggen wil: het is goed zo, sla je armen om elkaar heen. Niet alles in het leven is te begrijpen.

‘Zal ik met je mee teruglopen?’
Aan haar vertragende pas merk ik dat ze twijfelt.
‘Tot aan het huis,’ zeg ik.
De snelheid van haar wandelpas klopt weer met zoals ik die altijd al ken. Ik versnel de mijne zodat ik weer naast haar loop.
‘Morgen is er muziek in de stad,’ zeg ik, ‘in de avond. Misschien heb je zin om mee te gaan?’
We lopen de wijk weer in waar vaders en moeders doelgericht hun automobielen van plek A naar plek B verplaatsen. Nog twee straten en dan staan we voor haar huis.
‘Het is een band met vrolijke Nederlandse muziek.’
Ze draait haar hoofd en kijkt me met haar bruine ogen aan.
‘Ik laat het je morgen weten,’ zegt ze en loopt haar straat in.
In de voortuin van haar huis staat een klein monumentje, een takotsubo kruik met een vrolijk kijkende stenen inktvis die zijn tentakels om de kruik heeft geslagen, een klein bosje bloemen en een foto van haar moeder.
‘Jij mag het wel weten,’ zegt ze.
Ik ben doodstil en kijk haar aan.
‘Ja, jij mag het wel weten.’
Ze knielt in de voortuin bij het bosje bloemen en zet het vaasje recht.
‘Gisteren heeft hij het me verteld,’ begint ze, ‘misschien had hij dat niet moeten doen. Ik vraag me oprecht af of ik het wel had willen weten.’
Ik kniel naast haar neer en streel een streng haar achter haar oor.
‘Mijn moeder is gestorven aan het gebroken hart syndroom.’
Een dikke traan rolt over haar wang.
‘Ze stierf op vaders sterfbed toen hij iets in haar oor fluisterde. Ze moet het al die jaren wel geweten hebben.’
Ze kijkt naar haar huis en staat op.
‘Zullen we nog een blokje om lopen?’ vraag ik en pak haar bij de arm.
Ze kijkt achterom en pakt mijn arm stevig vast.
‘Haar hart moet op dat moment zo groot zijn geworden dat het gebarsten is, vandaar de vaas. Al die jaren heeft ze het geweten, dat weet ik zeker. Maar ze heeft ons nooit geloofd of geholpen.’
We lopen de steeg achter haar huis in.
‘Gisteren heeft hij het me verteld.’
In de achtertuin staat haar broer een sigaret te roken.
Ze laat mijn arm los en loopt aarzelend op haar broer af.

Ik blijf bij de poort staan en zie hoe ze naar elkaar kijken.