Categorie archieven: Fictie

Associatieoefening

Associatieoefening Schrijversacademie

Nog geen deelnemer van de schrijversacademie te bekennen als ik het oude Philipsgebouw betreed. De cursus start over twintig minuten en ik heb de tijd om een beker heet water te tappen en de deur te openen naar een binnentuin. De lentezon heeft de ochtenddauw verdreven en doet haar best om de houtenvlonder, die de tuin voor de helft bestrijkt, te
verwarmen. Er staan acht witte ronde stalen tafels verdeeld over het plankier met tegen elke tafel vier schuin opgestelde stoelen. Ik zet een van de stoelen recht en ga zo zitten dat niet alleen de vlonder maar ook ikzelf opgewarmd word.
‘Koppie in de zon,’ riep mijn moeder altijd.
En ik sluit mijn ogen en laat de koperen ploert op mijn hoofd schijnen.

De acht tafels veranderen achter mijn oogleden in tipi’s en uit een van hen komt het vrolijke koppie van mijn vriendje Jaap.
‘Hé, kom je binnen voordat de kouwbois je zien,’ roept hij, ‘we wachten tot het donker is, dan sluipen we over de prerie en vallen de kouwbois aan.’
‘Dan ga ik vast kijken of onze paarden goed zijn vastgebonden,’ zeg ik en kruip over de prairie naar de struiken. Als ik achterom kijk, zie ik Japie achter de tipi vandaan komen.
‘Er zitten allemaal bladeren in je haar,’ roep ik.
‘Oef, nee joh! Ik ben het opperhoofd en dit zijn mijn veren.’

‘Foppe, kom je binnen? We gaan beginnen.’
Heerlijk, die zaterdagen die in het teken staan van schrijven en vooral het vrije denken. Mijn fantasie omzetten in woorden die er eerst nog niet waren. Dit zijn de onbetaalbare uren waarin ik met andere aankomende schrijvers op zoek ga naar de ultieme schrijfkunst.

Dadels en rozijnen

Dadels

‘Hier, moet je eens proeven,’ zegt ze en houdt een doosje voor mijn neus met daarin vruchten in de vorm van overdreven grote rozijnen. Ik kijk haar vragend aan, terwijl ik een plakkerige vrucht uit het doosje probeer los te trekken van zijn soortgenoten.
‘Het zijn geen rozijnen,’ lacht ze, ‘dat zal ik je nooit aandoen. Dit zijn dadels, heel zoet, daar houd jij vast wel van.’
Ik observeer de vrucht op armlengte en kan me werkelijk niet voorstellen dat ik ooit van deze levensgrote rozijn zal gaan houden.
Voorzichtig stop ik ‘m midden in mijn mond, ik proef niets. Maar ik weet dat mijn lichaam het zwaar gaat krijgen als ik een opening in de huid van de vrucht moet bijten.
Het moment is daar dat ik de dadel niet langer anoniem in mijn mondholte kan houden. Het kauwmechanisme is gewend dat het in werking treedt zodra iets niet lichaamseigen mijn mond binnenkomt.
Ik hoor gekraak tussen mijn kiezen als ik de huid verpulver.
De smaak zet me even op het verkeerde been, een zoetige substantie. Normaal gesproken ben ik toch niet vies van zoet, maar blijkbaar werkt het anders in combinatie met deze afstotelijke gedachte.
Ik voel dat het vruchtvlees van de dadel, na zoveel maanden opgesloten te hebben gezeten in het vel van de vrucht, langs mijn kiezen naar de speekselklieren vlucht en ze aanzet tot overmatige productie. Mijn maagdarmstelsel begint in reverse mode te werken, als ik nu niet snel ben, gaat ’t echt mis.
Ze kijkt me aan: ‘Ik weet al voor wie de rest van de inhoud van dit doosje is.’
En kruipt in de hoek van de bank met haar kopje thee en spannende leesboek. Voor de zekerheid zoek ik even de kleinste ruimte op en besluit dat ik voortaan alles, wat maar een beetje op een gedroogde vrucht lijkt, in dankbaarheid in ontvangst ga nemen en ga afgeven aan mijn liefje op de bank.

 

Een nieuwe hond

Noukie
Met dank voor het poseren aan Noukie, de hond van Astrid en Stefan Beumer. Het verhaaltje gaat niet over jou hoor, maar je bent wel een knapperd.

‘Zal ik hem dan maar achterin zetten?’ vraagt de man met de mand in zijn armen.
‘Vooruit, doe het maar,’ zeg ik, terwijl ik een paar hondstrouwe ogen naar me zie staren.

Hoeveel jaar was het geleden dat ik afscheid moest nemen van de diep bruine ogen van Bruno en mijn moeder mij de volgende dag al meenam naar het asiel om een ‘nieuwe’ uit te zoeken.
Het was woensdagmiddag en ik rende zo snel ik kon het schoolplein af, sloeg rechtsaf de Oude Kerkstraat in, langs fietsenmaker Schultenaar waar altijd een zwarte racefiets in de etalage hing. Ooit ga ik die kopen, dan ben ik nog sneller thuis. Maar deze keer bleef ik er niet bij staan kijken. Mijn moeder had gezegd dat we iets leuks gingen doen als ik uit school kwam. Na de brug over het kanaal moest ik linksaf en dan kon ik de televisie-antenne van ons huis al zien. Het huis zelf zat verscholen achter meters hoge coniferen.
‘Je jas op de kapstok hangen, handen wassen en dan eerst je boterhammen opeten,’ zei mijn moeder toen ik binnenstoof.
‘Maar we gaan iets leuks doen hè?’
Ik gleed op mijn stoel, vouwde mijn handen en prevelde, ‘laat het écht iets leuks zijn, amen.’
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze met een glimlach.
Van schrik stootte ik mijn melk om.
‘Verdorie, nog eens aan toe. Let toch ook beter op,’ mopperde ze en haalde met flinke slagen een vaatdoek over de tafel.
Ik keek achter me. In de hoek bij de koelkast lag hij in zijn mand en het leek of hij lag te slapen. Zijn bruine flaporen lagen over zijn snuit, die normaal gesproken op en neer bewogen op het ritme van zijn uitademing.
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze weer met die glimlach, ‘en pappa zorgt ervoor dat Bruno in de tuin begraven is voor we terug zijn. Eet maar snel je boterhammen op.’
En terwijl ik een hap probeerde te nemen voelde ik dat een brok het slikken verhinderde. Vreemd dacht ik nog, ik had nog geen hap genomen en toch wilde er niets door mijn keel. Ik veegde met mijn mouw de tranen af.
Gisteravond had ik de buurvrouw tegen mijn moeder horen snikken: ‘maar een kind moet je niet gelijk een nieuw hondje geven, het moet eerst rouwen.’
Het is dezelfde buurvrouw die ik niet anders ken dan met een grote rode zakdoek in haar handen, steeds de tranen van haar gezicht vegend. Mama had gezegd dat haar zoontje vier jaar geleden is verdronken in het kanaal.

‘Vooruit doe het maar,’ zeg ik, terwijl mijn zoontje me met rood doorlopen ogen aankijkt en de fokker de mand achter in de auto schuift.
‘Dit is een nieuwe hond, hè papa en deze is helemaal alleen van mij,’ snikt de kleine.

Volto Santo in Lucca

Volto Santo

Laat in de middag komt Martino met zijn mannen aan op het strand van Luni. De reis van het eiland bij Genua door het Noordelijke gedeelte van de Apennijnen tot aan de Toscaanse archipel is vreedzaam verlopen. Zelfs in de bergpas bij het witte marmer van Carrera waren geen rovers te zien geweest. De paarden zijn moe, maar nog goed in staat om vooruit te komen en de houten kar met het Gezicht is heel gebleven.
In de verte ziet Martino het schip liggen. De golven spelen ermee, maar het blijft liggen als een rots in de branding, rechtop en verroert zich niet. Op het strand verdringen zich honderden mensen die op veilige afstand nieuwsgierig, maar met angstige gezichten naar het vaartuig kijken. Zodra ze Martino en zijn gevolg zien snellen ze in zijn richting en proberen hem en zijn tunica aan te raken. Hij is gewend dat mensen hem willen aanraken in de hoop op genezing of een verandering in hun leven. Toen hij jong was, had hij genoten van de magische krachten die hij bezit en de aandacht die dat oplevert. Nu zoekt hij steeds meer de rust op en heeft hij een paar maanden geleden zijn toevlucht genomen op een eiland bij Genua.
Maar toch, toch staat hij nu hier tussen al die mensen.

Martino kijkt achterom en ziet zijn beste vriend Andreas dichtbij de kar met het Gezicht. Hij wendt zijn paard en gaat naast hem rijden.
‘Laten we verderop op het strand ons kamp inrichten’ zegt Martino, ‘daar hebben we beschutting van de duinen en kan de kar goed in het oog gehouden worden.’
Al vanaf hun jeugd in Hongarije zijn ze de beste vrienden, overal waar Martino gaat, wijkt Andreas niet van zijn zijde.
‘De nacht zal snel intreden, we maken een vuur en leggen er onze slaapmatten om heen. Een paar wachters zullen de mensen wel op afstand houden. Morgen zullen we een kijkje nemen bij het vastgelopen schip.’

Martino werd rond 316 na Chr. geboren in Savaria in Hongarije. Zijn vader was een Romeinse veldheer en hij groeide beschermd op met zijn drie zussen in een huis aan de rand van de stad. Zijn vader was een rijke officier, daardoor hadden ze thuis onderricht in rekenen, schrijven en lezen. Aangezien hij werd opgeleid voor een loopbaan in het leger, moest hij ook leren zwaard vechten. Het is vele malen gebeurd dat zijn moeder hem moest zoeken om naar de lessen te gaan.
‘Martino, Martino!’ riep zijn moeder dan, ‘waar hangt die jongen nu weer uit. Martino, de leraar wacht op je.’
De zware houten deur van de gebedsruimte zwaaide open.
‘Aha, zit je hier weer. De leraar wacht op je en hoe vaak moet ik het nog zeggen dat je gewoon naar je les moet gaan en van die koeken en het fruit af moet blijven.’
Eerlijk gezegd was de studie en zeker het zwaard vechten niet echt waar zijn hart naar uitging. Als het even kon, was hij te vinden in de zes meter hoge ruimte dat aan het huis gebouwd was. Het was de plek voor het Offeren aan de Huisgoden, Lares en Penates. Zij beschermden de familie tegen onheil, door middel van koeken, vruchten en kruiden die in een vuurbak gelegd werden en waarbij zijn vader, de pater familias, in gebeden voorging. Meestal nam Martino wat restjes van de offeranden mee en gebruikte dat voor de verweesde jonge dieren die hij samen met Andreas opving.
Het was ongelofelijk stil in dit gedeelte van het huis. Andreas had een kleed en een zitkussen in de hoek van de ruimte gelegd en zat daar bijna elk moment van de dag. Het was een mooie plek om te fantaseren, terwijl de zon via allerlei kieren de ruimte binnen wist te dringen. Het mooiste moment van de dag was rond het middaguur, dan scheen de zon door een hoog raam op het Gezicht.

‘Dit is de laatste keer dat ik mijn krachten gebruik voor een duiveluitdrijving, Andreas’, zegt Martino, ‘het wordt tijd om afstand te doen van het Gezicht, ik heb mijn rust nodig.’
In de ogen van Andreas ziet Martino verdriet zoals hij dat vroeger zag als een zwerfdier het uiteindelijk toch niet overleefde.
Andreas draait zich om: ‘De keuze is aan jou, Martino. Maar of het je rust gaat geven betwijfel ik. God zal je de juiste weg wel wijzen.’
Zijn mannen hebben het vuur klaar gemaakt en zorgen voor de wacht, twee man blijven met hun volle aandacht bij de kar met het kruisbeeld en ook Andreas zal zijn zitkussen naast het beeld plaatsen en waakzaam zijn. Hoe hij dat volhoudt weet Martino niet, maar de ogen van zijn vriend heeft hij nog nooit dicht gezien.

Sinds keizer Constantijn de Grote aan de macht was gekomen, had Martino’s Romeinse familie zich naar het Christendom bekeerd. En vanaf die tijd hing de Volto Santo, het Heilige Gezicht hoog boven de huisgoden in een apart gedeelte van hun huis. Zijn vader had verteld dat het kruisbeeld al eeuwen in bezit van hun familie was. Een voorouder die Nicodemus heette, had Christus van het kruis genomen en later een beeld naar zijn gelijkenis gesneden uit een ceder van Libanon.
Het Gezicht gaf hem altijd een prettig gevoel, er straalde rust van uit, net of het wilde zeggen: ‘Het is goed Martino, jij bent niet op aarde om te vechten, maar om goed te zijn voor de mensen en dieren.’
Martino herinnerde zich nog die keer dat Andreas volledig van streek met zijn hond Tarantula bij hem was gekomen. Tarantula was ziek, doodziek. Op zijn buik voelde hij een dikke uitstulping.
‘Help ons Martino, jij alleen kan ons helpen,’ jammerde Andreas. Martino was op dat moment aan het spelen in de ruimte met de beschermheiligen.
‘Wat kan ik doen? Ik kan geen honden beter maken?’ zei Martino, terwijl Andreas de hond naast hem neerlegde. Martino streelde de hond en voelde met zijn hand de enorme uitstulping onder aan de buik van de hond. Met tranen in zijn ogen keek hij naar het Heilige Gezicht en hij riep: ‘Is er dan geen enkele God die medelijden heeft met dit arme dier, is er dan niemand van jullie die ziet, hoe mijn vriend lijdt?’ En terwijl hij over de bult streelde, voelde hij hoe de spanning van de huid afnam. Hij zag dat het dier langzamer begon te ademen en even zijn kop op tilde, hem aankeek.
‘Via il dolore, per favore,’ sprak Martino, ‘haal de pijn weg, alsjeblieft.’
De bult werd zienderogen kleiner en kleiner, tot de hond zich oprichtte en overgaf, het geluid ging de jongens door merg en been. De hond schudde zich daarna uit, waarbij vlokken haar in de rondte vlogen en begon te eten en te drinken. Op een wonderbaarlijke manier was de hond genezen.
De jaren daarna waren er meer van dit soort voorvallen geweest. Het was niet onopgemerkt gebleven voor zijn ouders en de mensen uit de stad. Elke dag stonden er weer mensen voor het huis, met zieke dieren en mensen.
Natuurlijk kon hij hen niet beter maken, hij was een gewone Romeinse jongen, maar soms, soms gebeurde er iets magisch.
Op zijn vijftiende jaar werd Martino als soldaat, zoals alle jonge Romeinen die zo opgevoed werden, door zijn vader naar Gallië gestuurd, een Romeinse veldheer had zijn hulp ingeroepen. Zijn vader had hem twintig mannen meegegeven en genoeg paarden om hen te dragen en het Gezicht mee te nemen. Martino en het Gezicht moesten bij elkaar blijven. In zijn kielzog trok ook Andreas mee.
Bij de stadspoort van Amiens trof hij een bedelaar, aan wie hij de helft van zijn tunica gaf. Omdat de helft van de mantel eigendom was van Rome kon hij slechts zijn eigen helft weggeven. Deze daad en de wonderen die er rondom hem gebeurden, zorgde ervoor dat mensen van heinde en verre naar hem op zoek gingen. De Romeinse veldheer zette hem niet als vechter in, maar zag in, dat hij op deze manier de Galliërs op zijn hand kon krijgen.
Na dertig jaar als een soort heilige geleefd te hebben, nam Martino het besluit om rust te zoeken en te overdenken wat hij verder in zijn leven zou willen. Martino en Andreas reisden af naar een eiland bij Genua. Ver weg van de mensen die hem kenden, die hem vereerden. Hij had er eerlijk gezegd meer dan genoeg van en wilde een normaal bestaan lijden zoals hij dat van thuis kende in Hongarije.

Vroeg in de ochtend was er al rumoer op het strand. De bisschop van Lucca met zijn gevolg had de hele nacht doorgereden om vandaag Martino te ontmoeten. Hij had veel over hem gehoord en wilde de man nu met eigen ogen zien en spreken.
Een paar dagen geleden had hij een afgezant naar Martino gestuurd met de boodschap dat er een schip was vastgelopen op de kust van Luni, een schip zonder bemanning aan boord. Dat moest het werk zijn van de duivel. De bisschop had gehoord van Martino en de wonderbaarlijke situaties die ontstaan als hij ergens bij werd gehaald.
Met een buiging begroet Martino de bisschop, die op zijn knieën valt en de tunica van Martino in zijn handen pakt.
‘Welkom Martino, helper van de armen en verdrijven van de duivel,’ zegt de bisschop.
‘Beste bisschop, sta op en laat mij U begroeten,’ glimlacht Martino.
‘We gaan straks naar het schip. Ik zal het zuiveren van alle kwade geesten, maar ik heb wel één vraag aan U.’
‘Natuurlijk, vraag mij alles en ik zorg dat het U aan niets ontbreekt,’ zegt de Heilige van Lucca.
‘Neem na afloop het Gezicht mee naar Uw stad en verberg het voor de mensen.’
‘Nee, Martino, dat kan je niet …,’ begint Andreas.
Met een handbeweging maant Martino zijn vriend aan tot stilte.
‘Neem het in alle stilte mee. Zorg dat de mensen het niet te zien krijgen, dat is alles wat ik van U vraag.’
De bisschop belooft het, maakt drie buigingen, slaat een kruis en loopt achteruit bij Martino vandaan.
‘Andreas, vannacht is mij verteld dat het Gezicht van me gescheiden moet worden.’
‘Maar dan scheiden onze wegen ook. Je weet dat ik nu niet meer bij je kan blijven.’
Andrea hoopt dat zijn vriend het besluit nog zal terugdraaien.
Martino omhelst en drukt hem tegen zich aan.
‘Ik moet voor een volgende opdracht terug naar Frankrijk, terug naar Tours. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Dit zal ook ons afscheid zijn. Jouw taak is het om het Gezicht te beschermen. Help me bij het zuiveren van dit schip en ga dan.’

Met een kleine boot varen ze naar het grote ‘duivelse’ schip en als Martino de kiel kan aanraken, zet Andreas met een paar mannen het kruisbeeld rechtop.
Martino zegt: ‘Ecce crucem Domini, fugite partes adversae, vicit Leo de tribu Juda, radix David. Exorciso te, creatura ligni, in nomine Dei patris omnipotentis, et in nomine Jesus Christi filii eius Domini nostri, et in virtute Spritus Sancti. Aanschouw het kruis van de Heer, en mogen zijn vijanden vluchten, de leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen, de wortel van David. Ik exorciseer u, schepsel van hout, in de naam van God de almachtige vader, in de naam van Jezus Christus, zijn zoon en onze Heer, en in de macht van de Heilige Geest.’
Martino en Andreas kijken elkaar aan, een blik vol berusting en vertrouwen.
Via een touwladder klimmen de mannen aan boord en lopen langs de fokkemast en boegspriet. Er was geen schieman, schipper, opperkoopman of zelfs maar een koksmaat te vinden op het vaartuig. Geen vlag, geen encryptie, geen dier en geen duivel treffen ze aan, alleen een grote lading met huiden en kisten vol met zilver.

In ruil voor het kruisbeeld krijgt Martino van de bisschop het schip met inhoud.
De bisschop neemt het Gezicht in alle stilte mee naar Lucca en pas honderd jaar later wordt het geplaatst in de Duomo de St Martino. Mocht je de Duomo ooit bezoeken, kijk dan eens naar de rechterzijkant van de kerk, daar zie je de nooit stervende Andreas zitten. In al die jaren is zijn aandacht nog altijd niet verslapt, zijn blik gericht op de Volto Santo.

Een paar weken na de ruil, als het schip ontdaan van zijn lading en het hoogwater is, lukt het om het schip los te krijgen van de bodem en reist Martino ermee naar Tours in Frankrijk.
Daar zal hij later tot bisschop worden gekozen door de inwoners van die stad. Volgens overlevering vond hij zich niet waardig genoeg voor dat ambt, en verstopte zich in een ganzenhok. Toen zijn aanhangers hem gingen zoeken, gingen de ganzen te keer waardoor zijn schuilplaats ontdekt werd. Zo kwam het dat hij alsnog tot bisschop gewijd kon worden.
Godswegen zijn ondoorgrondelijk.
Ieder jaar wordt nog steeds st. Maarten, zijn naamdag, op 11 november gevierd door de mensen uit Nederland, Vlaanderen, Noord-Frankrijk, sommige Duitse gebieden, Hongarije en op Sint Maarten.

Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen
Dat we hier met lichtjes lopen,
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijk man
Die ons wel wat geven kan,
Geef me appel of een peer,
Ik kom het hele jaar niet meer.

Een zeer kort zomerverhaal

Oma met watermeloen

Mijn altijd glimlachende en heel lieve doch demente oma snijdt elke dag een zeer grote watermeloen voor haar acht volwassen kinderen, maar nu doet ze dat ook in augustus terwijl iedereen in zuidelijk Spanje is, zodat ik daarna leurend langs de hartstikke gesloten dorpsdeuren kan gaan, waardoor ik er onlangs steeds meer van overtuigd ben geraakt dat zij voortaan maar mee moet tot iedereen weer terug is.

(Tel even mee. Klopt het? Eén zin met kop en staart en daarin 7 zelfstandige naamwoorden, 7 bijvoeglijke naamwoorden, 7 bijwoorden en 7 voegwoorden.)

Eigenaardige contactadvertentie

contactadvertentie

‘Nee meneer Chacarut. Ik zeg het nogmaals: NEE, niet doen!’
Terwijl Maria dit uitroept door de telefoon loopt haar gezicht rood aan van de opwinding.
‘Leg de hoorn toch neer,’ zegt Theo, ‘het maakt je helemaal van streek.’
‘Nee, u moet nu goed naar me luisteren, dit mag u echt niet doen,’ gaat Maria verder, ‘en ik ga nu ophangen hoor.’
Met een theatrale beweging wil ze de hoorn op de haak leggen en blijft dan naar het mobiele in haar hand kijken.
‘Je moet even op het rode knopje drukken, Maria, dan verbreekt de verbinding.’
Maria drukt op het kleine zwarte scherm en legt het toestel op het kastje naast de deur.
Ze kan soms zo goed begrijpen dat geen mens iets te maken wil hebben met meneer Chacarut. Het is een intelligente en charmante man, maar bij tijd en wijle ook onuitstaanbaar en gewoon niet te begrijpen.
‘Wat was er nu weer aan de hand?’
Haar man staat op vanuit zijn luie stoel en slaat een arm om haar heen.
‘Kom even rustig zitten, zal ik thee voor je inschenken?’

Maria en Theo wonen in een arbeidershuisje in een buitenwijk van de stad. Veel ruimte hebben ze met zijn tweeën niet nodig. Jaren geleden hebben ze wel een kinderen willen krijgen, maar dat is helaas niet gelukt.
‘Ik begrijp ‘m soms echt niet, Theo,’ snikt Maria, ‘Iris belde me net en vertelde wat hij van plan is. Hij doet haar zoveel verdriet.’
‘Herman doet de mensen heel zijn leven al verdriet.’
‘Meneer Chacarut, Theo. Meneer Chacarut.’

‘Voor mij is hij nog gewoon Herman. Weet je nog dat we met zijn allen op het eindfeest van de middelbare school gezellig zaten te drinken en te pokeren. Herman had het mooiste meisje van de school veroverd. Natuurlijk Maria, jij bent voor mij mijn mooiste meisje, maar Anemoon was voor iedereen een maatje te mooi, behalve voor Herman.’
‘He, zwakkelingen! Kom op, we spelen nog een potje,’ had Herman uitdagend met een dikke sigaar in zijn mond geroepen.
‘Herman, je hebt tot nu toe alles verloren, je hebt helemaal niets meer om mee te spelen. Laten we stoppen en plezier maken rondom het kampvuur,’ hadden de andere scholieren gezegd.
‘Nou, van je vrienden moet je het maar hebben,’ riep Herman uit, ‘ik zet Anemoon in! Als ik verlies mag de winnaar haar een avond hebben.’
Het was muisstil geworden, alle ogen waren op Herman gericht. Had hij dat werkelijk voorgesteld?
‘Oké, ik speel met jou,’ zei Peter.
En hij verloor. Hij had Anemoon ingezet in een spel en verloren.
‘Geen probleem, neem haar maar, zei hij, ‘ik heb verloren en dit hoort er dan bij.’

‘Wat een ongelofelijk arrogante kwast is die Herman toch.’
‘Ja, maar toch heeft hij iets in zich. Want Anemoon is wel bij hem gebleven en met hem getrouwd. En hij is ook goed voor ons geweest, vergeet dat niet, Theo.’

Heel hun werkbare leven werken Theo en Maria al voor meneer en mevrouw Chacarut. Theo houdt het landgoed rond de villa bij en Maria de binnenkant. Meneer Chacarut is een echte businessman. Zijn motto luidt: “Met enkel vrienden verdien ik geen miljoenen.” Had hij maar enkele vrienden gehad, maar zelfs dat is hem in al die jaren niet gelukt.
Het grote vrijstaande huis staat in een bos, ongeveer een kilometer buiten het dorp. Het huis ziet er niet onaardig uit, vrolijk mag je zelfs zeggen. Dat kan je Herman niet nageven, hij ziet er zelf en al zijn spullen picobello uit. Overal zijn bloemen en kleuren. Zelfs dit najaar staan de geraniums nog fier overeind en trekken de aandacht.

Ondertussen trilt het tafeltje bij de deur.
‘Het is jouw mobieltje, Maria.’
‘Met Maria. O, hoi Iris.’
‘…….’
‘Nee, ik heb hem wel gesproken, maar volgens mij luisterde hij niet.’
‘……’
‘Natuurlijk mag je langskomen, je bent altijd welkom. Tot zo!’
Maria blijft even voor zich uit staren met het toestel in haar hand.
‘Fijn dat Iris even langskomt, die arme meid heeft het ook niet makkelijk.’
Ze schonk Theo en zichzelf nog een kop thee in.
‘Ik moet steeds denken aan die keer dat we met zijn zessen naar de Ikea zijn geweest.’

‘Eerst moeten die kinderen weg. Breng ze naar de ballenbak en wel voor de langst mogelijke periode,’ zei Herman, ‘het is al erg zat dat we op zaterdagochtend deze drukte in moeten.’
Wij brachten Jacques en Iris naar de ballenbak en mochten daarna achter Herman en Anemoon aanlopen om op te schrijven wat ze wilden hebben en dat later uit de stellingen op te zoeken.
In elke stand waar we kwamen was Herman bezig geweest de confrontatie te zoeken met medeklanten en personeel van het woonwarenhuis.
‘Wat is dit voor zaak! Kunnen jullie dan helemaal niets leveren wat ik echt wil hebben? Ik ga voortaan wel naar mijn vrienden, die hebben een echte meubelzaak. En jullie volksmensen, ga alsjeblieft eens aan de kant met die jengelende kinderen!’
Op gepaste afstand volgden wij het tafereel samen met Anemoon, die met een rood hoofd steeds een andere kant op keek.

‘Laatste oproep aan de ouders van de kinderen van Jacques en Iris. U wordt verzocht de kinderen op te halen bij de ballenbak,’ klonk er door de luidsprekers van het bedrijf.
‘Herman, we moeten de kinderen nu echt gaan ophalen,’ zei Anemoon schoorvoetend.
‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen. Ik wil helemaal geen kinderen,’ en hij liep pontificaal de zaak uit, naar zijn auto en reed, zonder zich om ons en de kinderen te bekommeren, naar huis. Logisch dat Iris en Jacques na al die voorvallen uiteindelijk niets meer met hun vader te maken wilden hebben.’

‘Rustig nu maar,’ zei Maria, terwijl ze aan haar thee nipte, ‘ik begrijp hem ook niet altijd, maar ik ben enorm blij dat Iris ons regelmatig opzoekt.’

Maria zwaaide naar Iris die het paadje naar de voordeur opliep.
‘Doe jij even open,’ zei ze, terwijl ze een extra kopje uit de kast pakte.
‘Kom binnen,’ zei Theo terwijl hij Iris een dikke knuffel gaf, ‘wat een gedoe weer met je vader!’
‘Wil je thee en appeltaart?’
Maria was in de keuken al druk bezig met een kopje en de schoteltjes voor het gebak.
‘Wat heerlijk om je even te zien, alhoewel de omstandigheden weer niet prettig zijn.’
‘Nee, dat klopt,’ zei Iris terwijl ze een krant die ze al die tijd onder haar arm had op tafel legde,’ zeg dat wel, hij heeft het gewoon al gedaan!’
Vol ongeloof keken Theo en Maria haar aan.
‘Nee echt, kijk maar op pagina zes. Het staat er echt.’

Contact
Weduwnaar 76 jr i.b.v. auto en boot,
wil heel graag een leuke vrouw ontmoeten
om het leven weer wat aangenamer te maken.
Ben jij die ondernemende vrouw die met mij
weer iets van het leven wil maken, bel …..

‘Volgens mij moeten we nu echt je moeder op de hoogte brengen,’ zei Maria zacht en zette met trillende hand het bordje met warme appeltaart op tafel.

(Opdracht: Zoek een contactadvertentie uit de krant en schrijf er jouw verhaal over.)

Engel zonder hoofd (2)

Takot subo

vervolg van Engel zonder hoofd ………
We lopen naar het einde van de begraafplaats, daar waar een groot houten kruis op een heuvel waakt over een ieder die hier rust. De engel wijst ons na alsof het zeggen wil: het is goed zo, sla je armen om elkaar heen. Niet alles in het leven is te begrijpen.

‘Zal ik met je mee teruglopen?’
Aan haar vertragende pas merk ik dat ze twijfelt.
‘Tot aan het huis,’ zeg ik.
De snelheid van haar wandelpas klopt weer met zoals ik die altijd al ken. Ik versnel de mijne zodat ik weer naast haar loop.
‘Morgen is er muziek in de stad,’ zeg ik, ‘in de avond. Misschien heb je zin om mee te gaan?’
We lopen de wijk weer in waar vaders en moeders doelgericht hun automobielen van plek A naar plek B verplaatsen. Nog twee straten en dan staan we voor haar huis.
‘Het is een band met vrolijke Nederlandse muziek.’
Ze draait haar hoofd en kijkt me met haar bruine ogen aan.
‘Ik laat het je morgen weten,’ zegt ze en loopt haar straat in.
In de voortuin van haar huis staat een klein monumentje, een takotsubo kruik met een vrolijk kijkende stenen inktvis die zijn tentakels om de kruik heeft geslagen, een klein bosje bloemen en een foto van haar moeder.
‘Jij mag het wel weten,’ zegt ze.
Ik ben doodstil en kijk haar aan.
‘Ja, jij mag het wel weten.’
Ze knielt in de voortuin bij het bosje bloemen en zet het vaasje recht.
‘Gisteren heeft hij het me verteld,’ begint ze, ‘misschien had hij dat niet moeten doen. Ik vraag me oprecht af of ik het wel had willen weten.’
Ik kniel naast haar neer en streel een streng haar achter haar oor.
‘Mijn moeder is gestorven aan het gebroken hart syndroom.’
Een dikke traan rolt over haar wang.
‘Ze stierf op vaders sterfbed toen hij iets in haar oor fluisterde. Ze moet het al die jaren wel geweten hebben.’
Ze kijkt naar haar huis en staat op.
‘Zullen we nog een blokje om lopen?’ vraag ik en pak haar bij de arm.
Ze kijkt achterom en pakt mijn arm stevig vast.
‘Haar hart moet op dat moment zo groot zijn geworden dat het gebarsten is, vandaar de vaas. Al die jaren heeft ze het geweten, dat weet ik zeker. Maar ze heeft ons nooit geloofd of geholpen.’
We lopen de steeg achter haar huis in.
‘Gisteren heeft hij het me verteld.’
In de achtertuin staat haar broer een sigaret te roken.
Ze laat mijn arm los en loopt aarzelend op haar broer af.

Ik blijf bij de poort staan en zie hoe ze naar elkaar kijken.

Engel zonder hoofd

engel zonder hoofd

‘Mijn broer moet weten dat ik veilig ben en niets mankeer,’ zegt ze terwijl we de straat uitlopen.
‘Dat kan ik me voorstellen, maar zou je dan niet terug gaan en het hem vertellen?’
Auto’s volgeladen met kinderen rijden voorbij. Een eindje verderop rijden kinderen op de fiets met sporttassen, hockeysticks en koptelefoon.
‘Hij is nu nog thuis,’ zeg ik, terwijl ik mijn pas versnel om haar bij te houden.
Ik heb wel vaker met haar gesproken over haar broer, maar volgens mij gaan mijn woorden haar oren niet in.
Ze heeft haar bergschoenen aan en gezicht strak naar voren. Ik weet dat ik beter stil kan zijn.
Het is zaterdagochtend. De huisvaders en – moeders krioelen over de wereld om hun spruiten bij sport – of muziekles af te gooien, daarna door te gaan naar de schappen vol kruideniersspullen om de goederen daarna op te slaan in hun kasten en kelders.
Het geluid van de neergaande spoorbomen trekt me uit mijn wandelende gedachten.
‘Hij zal blij zijn om je weer te zien.’
Even kijkt ze me aan. Haar ogen lijken te zeggen: hij begrijpt het echt niet. Daarna kijkt ze weer strak voor zich.
‘Ik zal je laten zien waar ik de afgelopen dagen ben geweest,’ zegt ze.
We lopen over een modderig pad tussen hoge beukenbomen, slaan rechtsaf en komen bij een oude begraafplaats.
Ik lees de tekst van een gebroken grafsteen: Voorbijganger, ach sta even stil en bid voor mijn zielenrust. Labora sicut bonus miles christu jesu. Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus.
Ik kijk opzij en zie een glimp van haar gezicht die zich schuilt houdt achter haar lange blonde haren.

‘Het kan toch nooit zo erg zijn, dat je ’s nachts niet meer naar huis gaat?’
Ze toont me een plek onder de juniperus communis, de jeneverbes. Het symbool van kuisheid heeft met haar takken een plek gemaakt die niet zomaar vrijgegeven wordt.
‘Hier had ik je nooit gevonden,’ zeg ik.
‘Je mag dit aan niemand vertellen, echt aan niemand!’ zegt ze stellig. We treden haar toevluchtsoord binnen. Hierbinnen is het droog en voelt het warm. Een heg grenst aan de bes. En door de bladeren zie ik een engel bij een grafsteen, een engel zonder hoofd. De heilige engel, die aangesteld is over het paradijs, de slangen en de Cherubijnen, is als een boodschapper die alleen met gebaren duidelijk kan maken wat er is gebeurd.

Ze is geknield en haar woorden komen in flarden binnen.
‘Genadevolle Maagd,….! Ik wandelde in mijne onschuld. ……. Waak over mij, bescherm mij in het veilig toevluchtsoord van Uw Onbevlekt Hart. Amen.’
‘Wat! Wat heb je gezien? Wat heeft ie je gedaan?’
Ik schrik van mijn stem. De boosheid verjaagt de duiven die net nog rustig op de takken zaten. Ik zie een traan over haar wang rollen.
‘Het is goed zo, ik ga mee naar huis,’ zegt ze terwijl ze opstaat.
‘Ja maar,….’ begin ik, maar ze legt een vinger op mijn lippen.
‘Het is goed zo.’

We lopen naar het einde van de begraafplaats, daar waar een groot houten kruis op een heuvel waakt over een ieder die hier rust. De engel wijst ons na alsof het zeggen wil: het is goed zo, sla je armen om elkaar heen. Niet alles in het leven is te begrijpen.

Een droom aan zee

Beeld aan zee

Aan een tafeltje in het Kurhaus en kijk uit over de woeste zee. Het is springtij. Niet alleen het hoogwater is dan hoger, ook het laagwater is lager dan gemiddeld. De zon, maan en aarde staan vandaag in een rechte lijn. Alhoewel er van een zon geen sprake is. Het zeewater wordt door de stormwinden opgestuwd. Ik zie het verschil niet meer tussen de golven en de lucht.

Via de hoofdingang met zijn zware draaideuren zijn we de grote hal binnengekomen en hebben het tafeltje recht in het midden uitgezocht. Aan de wanden hangen foto’s van vroeger. Lang geleden lieten mensen zich op een kar door paarden de zee in trekken om reumatiek, zenuwziekten of zwaarlijvigheid tegen te gaan. Vandaag kan ik blijven zitten en komt de zee vanzelf naar mij toe.
Mijn vroegere roodharige wiskunde leraar komt op me af en vertelt me dat ik nooit de hoofdingang van het Kurhaus mag nemen, als ik foto’s van vroeger wil bekijken. Het is net als bij de stelling van pythagoras, die beklim je ook altijd via het gebouw ernaast.

Ik zie je naar buiten lopen over de, door de Spaanse toparchitect Manuel De Solà-Morales ontworpen, moderne boulevard. Jouw jas is dichtgeknoopt tot aan je kin. Je houdt jezelf vast aan je fototoestel. Naast een van de beelden ga je zitten, met een rechte rug en je benen gestrekt vooruit. Als in een sprookje worden je benen steeds langer en ik kijk langs jullie vier voeten en zie vrolijke gezichten.

Op het strand staat een uit karton opgebouwde graafmachine met 5 armen. Door de golven en de regen zakt hij arm voor arm in elkaar op het strand. De golven zijn ondertussen mensenhoog geworden. Vier mannen springen in het water om een vrouw te redden en honderden andere mensen kijken stoïcijns naar dit gebeuren en lopen daarna verder, waarbij hun hoofden nog net boven het water uitkomen.

Naast me zit een oude Zeeuwse boerin. De vrouw draagt een ondermutsje van pique met een wit kraakrandje  Rond haar hals draagt ze bloedkoralen met een rond gouden slot. In het midden van het slot een grote bloedkoraal. Ik kijk haar in paniek aan. Jij moet naar binnen komen voordat je ziek wordt. Ze mompelt in een onverstaanbaar dialect. Als ik beter naar haar kijk zie ik dat er een Engelse ondertiteling is geprojecteerd op haar mouwlief. Ze vertelt me dat jij helemaal geen tijd hebt om ziek te worden. Van 1 januari tot 31 december moet er namelijk gewerkt worden.

De ober blijft heen en weer lopen en zet mijn tafel vol met lekkere hapjes. Gerechten waarvan ik eindelijk weer de namen kan uitspreken. De knappe eigenaar van de hapjes komt naast me zitten en haalt uit zijn binnenzak tien ansichtkaarten die aan elkaar vastzitten en als een harmonica uitwaaieren. Vijf afbeeldingen van wijze en vijf van dwaze maagden en allemaal een ongelofelijk knap uiterlijk.

Er wordt op het raam geklopt en een oude statige vrouw zegt me dat de golven bestaan uit verschillende kleuren. De kunstenaar heeft dit aangebracht met een stof die een kleur reflecteert. Het is ge-pig-men-ti-seerd.

Als ik achter me kijk zie ik je lopen in een hele hoge fabriekshal. De geluiden van jouw hakken kaatsen door de hal en mijn hoofd. Ik zie je steeds kleiner worden. Tot je als een stip achter de trein verdwijnt.

Geen dier’der plek voor ons op aard,
Geen oord ter wereld meer ons waard,
Dan, waar beschermd door dijk en duin,
Ons toelacht veld en bos en tuin.
Waar steeds d’ aloude Eendracht woont,
En welvaart ‘s landsman’s werk bekroont,
Waar klinkt des Leeuwen forse stem:
“Ik worstel moedig en ontzwem”

Vicente uit Valencia

MarkthalValencia

Iedere ochtend, net voor de zon opkomt, loopt Vicente met zijn houten kar de lange straat uit in de richting van de huerta. Aan zijn zijde speurt Aranges naar eetbaar afval dat door de marktverkopers op straat is achtergelaten. Zo vroeg in de ochtend is het in de stad nog niet al te warm. Alleen de landarbeiders zijn al op het vruchtbare platteland aan het werk. Valencia heeft het geluk gehad dat het een aangenaam klimaat heeft. De Romeinen en later de Arabieren hebben voor een irrigatiesysteem gezorgd, zodat er op de huerta duizenden sinaasappel – en citroenbomen groeien. Vicente mag elke dag bij zijn oom Pedro Herera 25 kilo sinaasappelen halen, welke door zijn moeder op de markt verkocht worden. Hun huis staat vlak naast de Mercado Central, een markthal bestaande uit een structuur van zuilen en metalen dakspanten.
Eigenlijk had Vicente Blasco Ibáñez al getrouwd moeten zijn. Zijn moeder heeft er in ieder geval alles aan gedaan. Voor de markt begint gaat ze naar de Iglesia de los Dantos Juanes en bidt naar Maria in de hoop dat Vicente nu eindelijk tot rust komt en een gezin zal gaan stichten.
Maar Vicente is een onverbeterlijke hartenbreker. 

‘Vicente!’ 
Vanuit een van de kronkelige steegjes, vlakbij de plek waar ze de oude stadsmuren aan het afbreken zijn, wordt zijn naam geroepen.
‘Vicente en zijn smerige hond Aranges! Vuile hond, je moet met je handen van mijn vriendin afblijven.’
Het is Armano, de man met wie Vicente het al vaker aan de stok heeft gehad. Ze kennen elkaar al vanaf dat ze konden lopen. Armano is al jaren verliefd op Rosario, maar zij moet niets van die goede man hebben. Dat heeft ze Vicente gisteren nog verteld toen ze tot laat in de avond achter een muurtje naar de opkomende maan hebben zitten te kijken.
‘Ik heb jouw vriendin niet nodig, Armano. Rustig maar. Ik zal morgen wel een stukje schrijven in mijn krant, El Pueblo, om haar vrij te pleiten van elke zondige handeling, zodat jij met haar kan trouwen,’ lachte Vicente.
Het hoofd van Armano werd nog roder dan hij oorspronkelijk al was, de aderen in zijn hals waren rivieren geworden waar het bloed met flinke snelheid door heen werd geduwd.
‘Ik daag je uit voor een duel. Nu zal er voor eens en altijd een einde komen aan jouw eeuwige getreiter.’ 
‘Aanvaard! Vanmiddag om 17.00 uur op het veld achter plaza del toros,’ zei Vicente en slenterde verder richting zijn oom, Armano woedend achterlatend.

Die middag waren beide mannen stipt op tijd, wat voor Spanjaarden zeer uitzonderlijk is, achter het treinstation. Beide met aantal volle flessen drank.
‘Je bent een vuile hond, Vicente!’ schreeuwde Armano.
‘Daar drink ik op.’ Vicente haalde de eerste fles te voorschijn en schonk zijn borrelglas vol, wierp de inhoud achter in zijn keel. Het Valenciaanse water kneep de keel dicht, tranen rolden over zijn wangen.
‘Je bent een suave, Armano!’ 
‘Daar drink ík op,’ schreeuwde de slappeling en ook hij gooide in één teug zijn borrel glas vol agua de Valencia leeg.
De combinatie van sinaasappel, wijn met wodka en gin begon langzaam zijn werk te doen. En na een paar uur zaten de twee mannen met de ruggen tegen elkaar op het veld, zoekend naar vloekwoorden om te kunnen drinken.

< Vicente Blasco Ibáñez leefde van 1867-1928 en was een bekend Spaans schrijver. Hij schreef verhalen over het leven van de boeren in de huerta en van de vissers in Albufera. Hij was een verstokte losbol, een onverbeterlijke hartenbreker en regelmatig verwikkeld in duels. Mijn verhaal is fictie en komt voort uit deze aanwijzingen en door het genieten van de mooie stad Valencia. >