Categoriearchief: Non-fictie

Hardloopschoenen naast mijn bed

‘Iedere dag heb je de keus, ren je door of gooi je rigoureus’ het roer om. Hier het verhaal van Wim Akkermans die op een dag besloot zijn leven als postbesteller op te geven en een hardloopschool te beginnen. Een dag uit zijn leven, opgetekend door Foppe Weijer.

Wim Akkermans

Een collega hardlooptrainer komt deze ochtend kijken hoe ik, samen met mijn trainers, een aantal trainingsgroepen van mijn Loopschool begeleid. We delen al jaren de passie van lange afstanden hardlopen en het overbrengen van onze hardloopervaring op andere lopers. Trainers zien elkaar niet vaak aan het werk, maar vandaag kan ik hem een training laten meebeleven.
‘Het is lang geleden dat we elkaar gesproken hebben, leuk dat je met me meegaat,’ zeg ik.
We ontmoeten elkaar op de afgesproken tijd en hebben amper een paar meter gefietst of we moeten al in onze remmen knijpen. Een uitrukkende brandweerauto met zwaailicht en sirene kruist ons pad op deze vroege warme zaterdagochtend. We kijken de auto na, terwijl het voertuig zijn weg vervolgt naar de meldplek. Al snel neemt de stilte van de zaterdagochtend het over van de twee harde tonen.
‘Te lang geleden, maar ik ben blij dat ik vandaag de tijd heb om te zien wat jij hebt opgebouwd, Wim. Over lang geleden gesproken, jij hebt toch ook bij de brandweer gewerkt?’
Het is zeker zeven jaar geleden dat ik deel uitmaakte van het vrijwillige brandweerkorps. Mijn loopschoenen had ik ’s nachts naast mijn bed staan en als ik een oproep kreeg, spurtte ik naar de brandweerkazerne. Dat resulteerde in een aardige verzuring van mijn benen, die vanzelf weer oploste als we met de eerste uitruk op een melding afgingen. Als ik ergens bij ben, dan ben ik fanatiek.
‘Ja, dat is alweer even geleden en nee, ik heb geen spijt.’
In al die jaren heb ik in de eerste uitruk gezeten en dat betekende dat ik de meest erge situaties heb meegemaakt.
‘Zeker geen spijt dat ik een andere keuze heb gemaakt. Ik heb dat graag en ook met liefde en plezier gedaan, maar op een gegeven moment was ik ook klaar.’
We zijn op weg van Vught Zuid naar de noordkant en de meeste mensen liggen nog op bed of zijn op zomervakantie.
‘Ik heb nu eindelijk van mijn hobby mijn beroep kunnen maken.’
Eigenlijk had ik aan het eind van de vorige eeuw al een eigen loopschool willen starten. In die periode werkte ik overdag bij de Koninklijke PTT Post, in de avonduren gaf ik training aan loopgroepen bij Prins Hendrik in Vught. Daarnaast werkte ik voor de brandweer en liep ik regelmatig een wedstrijd over ultra afstanden. Maar voor jezelf beginnen is toch wel een grote stap. Wanneer komt het moment dat je de zekerheid van inkomen vaarwelzegt en je droom achternagaat? Zeker als je kleine kinderen hebt en daarbij moet je er thuis ook samen achter kunnen staan. In die periode heb ik dan ook gezegd, laat maar rusten, ik train gewoon, verzorg mijn trainingen, doe mijn wedstrijden en wie weet komt het ooit nog wel eens.
‘Ja, sporten is zeker voor jou je lust en je leven, maar wanneer kwam het moment om je vaste baan op te geven? Wat gaf de doorslag om voor jezelf te beginnen?’
‘Het keerpunt is gekomen toen het postbedrijf ging reorganiseren met veel wisseling van de wacht in het management. Voor iemand die houdt van orde, netheid, goede begeleiding en goed omgaan met personeel, was dit een moeilijke situatie en op een gegeven moment heb ik gezegd, jongens voor mij hoeft het niet meer. Geef mij maar een rugzak dan ga ik vertrekken en voor mezelf beginnen. Ik begin mijn eigen loopschool, Loopschool Wim Akkermans.’
‘En daar kon je de brandweeractiviteiten niet meer bij doen?’
‘Als je overdag heel actief bent en dan ’s nachts ook nog eens naar een zwaar ongeval moet of een brand, dan wil ik daar niet als een zombie staan. Dat was mijn reden om te stoppen bij de brandweer. De schoenen staan nog steeds op dezelfde plek naast mijn bed. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Maar ze staan er nu omdat mijn hele dag in het teken staat van trainingen geven,’ zeg ik, terwijl ik hem even een klap op zijn schouder geef, ‘leuk dat je een ochtend komt meekijken. Kijk rond, blijf vragen stellen en geniet vooral.’

We rijden het sportpark op van TV Wolfsbosch, de tennisvereniging in Vught Noord, het startpunt van mijn loopgroepen vandaag. Het is heerlijk stil op het complex en ik heb nog even de tijd om de bidons te vullen met fris water en de deuren tegen elkaar open te zetten zodat de ergste warmte het gebouw kan verlaten.
‘Goedemorgen Wim,’ roept de eerste enthousiaste hardloper, ‘perfect weer voor een duurloopje.’
Dat is het mooie van hardlopers, ze hebben altijd zin om te trainen.
‘Zeker mooi weer, zolang je maar goed blijft drinken tijdens de training,’ roep ik terug.
Het wordt steeds drukker in de kantine. Het geluid van de meute begint aan te zwellen.
‘Kan ik dit jaar nog een pitstop van je krijgen?’ vraagt een van de oudere lopers.
De afgelopen vier jaar hebben we de Pitstop, een looptechniek-clinic, ontwikkeld. Het is een moment waarop ik lopers laat zien hoe ze zichzelf kunnen verbeteren in het hardlopen, verbeteringen aan hun loophouding, waardoor ze meer plezier gaan beleven in het bewegen en ter voorkoming van blessures. Ik maak dan video opnames van het lopen, analyseer deze en kom met voorstellen tot verbetering. Met die voorstellen gaan we oefenen totdat de beweging door het lichaam wordt opgepakt. Tijdens de trainingen geef ik daar aanwijzingen over, zodat het lichaam de juiste beweging steeds beter leert herkennen.
‘Wie weet lukt het nog om in het najaar een pitstop te plannen. Zodra ik een datum heb zal ik je mailen en het op de website plaatsen.’
Het is negen uur, tijd om met de trainingen te beginnen.
‘Dames en heren, even jullie aandacht. We gaan weer in groepen uiteen, de niveaugroepen vertrekken nu met hun trainers, de duurgroepen gaan met mij mee. Geniet van het lopen, van elkaar en de omgeving waar je doorheen loopt en let op: vooral met deze warmte, drink op tijd.’
Heel langzaam begint de kantine leeg te lopen, de groepen rennen weg en wij blijven nog even in een oorverdovende stilte achter om alles af te sluiten.
‘En waar lopen de duurloopgroepen vandaag heen?’
‘Dat is nu het mooie van mijn trainingen,’ zeg ik, ‘dat weet ik van tevoren nooit. Ik start en loop weg, ik houd rekening met het tempo van de groep, ik houd rekening met de grootte van de groep, ik houd rekening met mogelijke blessures, ondergrond, het weer. En dan gaan we lopen en houd ik de tijd in de gaten, Vandaag is de langste afstand twintig kilometer, dan zorg ik dat we tussen de 19 en 21 kilometer lopen. Niet meer en niet minder.’

Aan het eind van deze zaterdagtraining hebben we 21 km op de fiets gezeten als begeleider van de verschillende tempogroepen van de duurlooptraining.
‘Heel bijzonder hoe jij de verschillende snelheidsgroepen bij elkaar hebt kunnen houden. Je moet wel veel van de omgeving weten om lopers zo’n gevarieerd parkoers aan te kunnen bieden. Door de Gement aan de stadsgrens van Den Bosch, door het Bossche Broek en om de IJzeren man, ik heb genoten van de natuur en volgens mij de lopers ook.’
‘Ik denk dat ik nu iets moois bereikt heb sinds ik in 2011 de loopschool ben gestart en daar ben ik bijzonder trots op. Ik heb 275 leden, en het mooie is dat ik iedereen ken van naam, ik heb met iedereen contact, iedereen mag mij altijd bellen.’
Ondertussen ruim ik de spullen na de training op en maak de bidons schoon voor de volgende training.
‘Geduld en rust vind ik belangrijk. Ik zeg altijd tegen de lopers: neem de tijd voor je trainingen, acclimatiseer door op tijd aanwezig te zijn en neem je rust na de training om weer te landen voordat je naar huis gaat. Zo beleef je veel langer plezier aan het lopen.’

Mijn collega pakt zijn fiets om naar huis te gaan en ik de mijne om me te verplaatsen naar het startpunt van de middagtraining.
‘We zien elkaar binnenkort weer en wie weet kom je eens kijken bij de Pitstop later in het jaar?’
Ik zwaai hem na en zet koers richting de Drunense Duinen. De ochtend is omgevlogen, zoals elke dag waarop ik training mag geven.
www.loopschoolwimakkermans.nl

Bevrijd mijn stem – 4 en 5 mei

Needle tower II
Needle tower II – Kenneth Snelson (Beeldentuin Kröller-Müller museum)

Bevrijd mijn stem
Maskers waardoorheen de woorden stromen
woorden, die betekenis geven aan alles wat ik zie,
begrensd door mijn innerlijke beelden van
Jaloezie, verlangen, verdriet, teveel willen
Mag ik praten, kan ik praten, durf ik wel te praten
Ik weet dat mijn ego heel hard roept
In den beginne was het woord
Maar de stem van God is verder weg dan ooit

Bevrijd mijn stem
In de jaren van oorlog
Weet ik dat ik stil moet zijn
Ik mag nu echt niet praten
De vijand is al in het huis
Harde woorden uit beestachtige lichamen
Ik vouw mijn handen en ik bid
Ik houd me in, durf bijna niet te ademen
Mag zeker nu niet praten
En de stem van God is verder weg dan ooit

Bevrijd mijn stem
Ineens kan ik niet praten
Een infarct in mijn hersenen
Ik zie wel wat ik zeggen wil
Maar de woorden zijn vervlogen
Het is stil om me heen
Het is niet míjn stem die de stilte doorbreekt
Maar de stem van mijn omgeving
die harder roept dan ooit
Zelfs mijn slikken is oorverdovend
Ik houd me in, durf bijna niet te ademen
En snak naar gewoon wat woorden
De stem van God is verder weg dan ooit

Bevrijd mijn stem
Wie kan ik nog vertrouwen
In een wereld vol oorlog
Durf ik niet te praten
Ik hoor de nachtelijke razzia’s
Volken verraden door ego’s
Van mensen zoals jij en ik
Ik durf zeker niet te praten
De stem van God is verder weg dan ooit

Mijn stem is bevrijd
Door de vele gekleurde lichtpuntjes van
Mensen die opstaan en hun stem verheffen
Die opkomen voor zichzelf en voor mij
Ik zie dat we allemaal maskers zijn
Waardoorheen de woorden stromen
Tot de dag waarop het woord heilig en visie helder wordt
En er alleen volmaakte Liefde bestaat
Dan mag ik praten, kan ik praten, durf ik te praten
En ik spreek met onmiskenbare helderheid en overweldigende zeggingskracht
De stem van God zo dichtbij

Foppe Weijer
Vught
4 en 5 mei 2018

Pakjesavond

Pakjesavond

Ja, ik heb last van heimwee. Net als de heimweepiet, die bij de intocht van Sinterklaas dit jaar het liefst terug ging naar Madrid, omdat ze haar moeder zo miste. Gelukkig kon de Sint haar troosten en was er een stuurpiet die de boot toch naar Dokkum wist te loodsen en aan liet meren aan De Dijk. Sinterklaas is weer in Nederland.
Maar ineens zit er bij mij zo’n onprettig gevoel in mijn buik. Net of ik iets dierbaars ben kwijtgeraakt. Heimwee?
En terwijl ik kijk naar de pieten op televisie die de pakjes uit de boot halen, besef ik wat ik mis: de pakjesavonden van vroeger.

Het was koud en guur, de maan scheen door de bomen. Mijn moeder trok de gordijnen dicht. De platenspeler met ingebouwde speaker stond op 33 toeren en de grammofoonplaat kraste sinterklaasliedjes van het kinderkoor de kamer in. We zaten met z’n allen rond de gietijzeren kachel. ‘s Middags had ik kolen uit het schuurtje mogen halen. ‘Vul de kolenkit maar tot de rand,’ zei mijn moeder. Dat mocht, omdat het zo’n gezellige en lange avond ging worden. Van het zwarte roet uit het kolenhok had ik strepen op mijn wangen getrokken, ik leek een echte strepenpieten. Mijn moeder was daarna schurend bezig geweest om het zwarte roet met groene zeep van mijn wangen te krijgen, wangen die nu nog steeds nagloeiden. Mijn vader gooide extra kolen op het vuur en pookte nog eens. Ik schoof een stukje achteruit om de warmte de ruimte te geven de kamer in te trekken en niet alleen in mij. Uit volle borst zong ik met mijn broer en zus, dat de Sint nu eindelijk weleens binnen mocht komen, want we zaten al heel lang recht. Er werd hard op de deur gebonsd. Een zwarte hand gooide een zak vol strooigoed de kamer in. De ongeopende zak vloog over mijn hoofd door de kamer en belandde tegen een vaas. Een bloemenvaas waar al minstens een week bloemen in stonden. De zak brak. De vaas brak. Het water stroomde de zak in. Het maakte van de pepernoten een pap van roggemeel en de anijsgeur van de noten veranderde in niet fris ruikend bloemenwater.
Eerlijk gezegd zorgde de spanning van het heerlijk avondje en het zien van de pepernotenbrij voor de nodige waterlanders. Maar nadat mijn moeder de boel had opgedweild, ook mijn tranen, maakte de aanwezigheid van een zak vol pakjes alles goed en lagen mijn broer en ik even later op de grond om de elektrische raceauto’s over het spiksplinternieuwe circuit te laten scheuren.

Het onprettige gevoel in mijn buik trekt langzaam weg. Wat overblijft zijn heerlijke nostalgische herinneringen, een klein beetje heimwee naar het verleden.

Fijne pakjesavond.

Een zebra onder de rok

Zebrabenen

Al vroeg leerde ik dat er grenzen zijn.
Mijn moeder stond met haar vriendinnen te praten in de kamer. Een langgerekte jaren zestig kamer, met een voor – en achterkamer in één lange smalle ruimte, een bankstel met twee fauteuils en een salontafel met een bakje sigaren en sigaretten.
De rokken van de vriendinnen reikten bijna tot aan de enkels, waardoor ik, als een trapezium artiest, aan de bank moest hangen om met mijn hoofd bijna op de grond onder de rokken te kunnen kijken.
Onder de rokken kijken is zo’n demarcatie. Tot een jaar of vier wordt het voorval nog giechelend afgedaan. Het kind wordt rechtop gezet en de rok weer recht gestreken. De grens ligt bij schoenmaat 29. Ik had net die schoen tegen de muur gezet en mijn rechter knieholte houvast gegeven aan de rugleuning, toen ik werd opgetild aan mijn oren en met een strenge blik de kamer uit werd gestuurd.
En toch was ik toen al benieuwd wat er onder die rokken te zien was.

De afgelopen maand zijn er weer veel jonge mensen afgestudeerd. Ik heb een eindpresentatie van de opleiding Mode – en vakschool gezien. Als die vertoning een voorteken is voor de mode die deze zomer gedragen gaat worden, heb ik er een hard hoofd in. Zal ik ooit te zien krijgen wat er onder die rokken zit? In het gedachtengoed van Jef Montes lopen de modellen in moderne versies van begin jaren dertig met lange broeken en dito jurken over de catwalk. De jonge ontwerpsters lopen daarentegen in rokken tot net over de knie en ik besef dat er nog hoop is. Net zo goed als er hoop is voor deze afgestudeerden op een baan. De werkeloosheid van de jongeren in Nederland was het afgelopen half jaar licht toegenomen en kwam net onder de 12 procent uit. In Italië ligt dat getal veel hoger.

Een paar weken geleden zat ik op een bankje op de muur van Lucca en keek uit over het Toscaanse land. De zon brandde op mijn naakte armen en benen die, zoals mijn moeder zo vaak tegen me zegt, ik goed ingesmeerd had. Naast me zat een bejaarde man in vol kostuum en een wandelstok. Vanuit de schaduw van zijn hoofddeksel hoorde ik hem in het Engels met mij praten. Hij vertelde me dat hij een ‘professore dottorato’ was, die heel zijn leven les had gegeven aan de jeugd. De jeugd die tegenwoordig te lui was om te gaan werken. Hij vertelde me dat de jeugdwerkeloosheid enorm hoog is in Italië, boven de 40 procent. En dan moet je bedenken dat mensen die maar één uur werk in de week hebben, niet bij deze groep worden meegeteld. Dat vertelde hij me niet, maar was parate kennis van mezelf.
‘Nu wil Minister-president Matteo Renzi ook nog belastingverlaging voor de lage – en middeninkomens instellen, die gefinancierd moet worden door besparingen in het staatsbestuur, afschaffen van dienstauto´s en bevriezen van de topsalarissen,’ zei die spraakzame man naast me, ‘maar van mijn geld blijft hij af.’
De oude man stond moeizaam op, gaf me een hand en schuifelde rustig de helling af richting zijn chauffeur, die de portier van zijn auto al openhield.

Ik keek weer over de muur naar al die werkloze jongeren die langs wandelden. Ik zag de armoede van hun gescheurde spijkerbroeken. Dát was wat me verbaasde. Niet het feit dat er zoveel jeugd op een doordeweekse dag over de muur loopt, maar hun broeken met de scheuren. Net of de jeans met zeer scherpe stenen was gewassen en de stof over de breedte op meerdere plaatsen opengescheurd had. De zon had door de open gaten de mogelijkheid om het vel van hun nog jonge benen aan te raken. De huidlaag die ondertussen net zo bruin moest zijn geworden als mijn armen en benen. En de huidlaag die bedekt was door de kledij net zo wit, als de huid onder mijn borstharen.
Ik heb het niet durven vragen, maar had graag de strepen op hun benen gezien.

Kleding uit Italië staat nog steeds hoog aangeschreven in de wereld, van hun tunieken in het oude Rome, tot de innovatieve – en prachtige couture kleding van dé modeschool van Rome Accademia di Costume e di Moda. Ik weet niet zeker of de gescheurde broeken die ik in Lucca heb gezien een Italiaanse variatie zijn op de stonewashed Amerikaanse jeans, maar ik weet dat ik ze ook opvallend vaak in Nederland zie.

De zomer zal zich vast nog laten zien, volgens het boek van Dimitri Verhulst laat de zomer zich echt niet tegenhouden. Als de zomer daar is, zal ik mijn broek aantrekken met pijpen tot net boven de knie – want daar ligt bij mij de grens – en op zoek gaan naar de zebrabenen van onze werkende jeugd.

Pathos Puccini

Pucinni

We slenteren door de straten van Lucca. Voorop loopt Elena enthousiast te vertellen over haar stad, in vloeiend Italiaans en dus op een rap tempo pratend. De enige woorden die ik versta zijn: ‘e alore’ en ‘ecco’. Verder kijk ik naar haar handen en lippen en verdrink in de zoete klanken. Naast me loopt Jörn, een Duitse cursist en hij vertaalt het Italiaans in het Engels, net zo snel als het water dat stroomt door de Via del Fosso. En dat is snel, aangezien het verleden week behoorlijk had geregend en al het water uit de bergen, via de stad een weg naar de zee zoekt.

Op de Piazza Citadella komt de groep tot stilstand en vertelt Elena, de Italiaanse lerares, over alle beroemdheden die in Lucca zijn geboren. Mijn persoonlijke translateur vertelt over Luigi Bocherrini, een beroemde componist, cellist en contrabassist, terwijl ik probeer te tellen hoe vaak haar lippen op en neer gaan in één minuut. Daarna komt Giacomo Puccini aan de beurt en dat is logisch aangezien we voor het geboortehuis van deze componist staan. Voor alle niet muziekfanaten kan ik nog mededelen dat ook Mario Cipollini de wielrenner, Super Mario, De schitterende, Cipo, in deze stad is geboren. De man die de Giro della Provincia di Lucca (2005) heeft gewonnen, maar ook, ik noem een dwarsstraat, de Profronde van Oostvoorde (1995).
We staan dus voor het geboortehuis van Puccini en als we het huis binnentreden en naar een film van hem kijken, dan zie ik een starre, arrogante man die de mensen om hem heen het werk laat doen. Dat kan ook komen doordat de beelden zijn opgenomen in het begin van 1900 in zwart/wit en slapstick formaat. Volgens de verhalen is Giacomo een slechte en ongedisciplineerde leerling geweest, die alleen een opera schreef als hij slecht bij kas was. Ach, wie weet mag ik hem toch wel.

Puccini schreef La bohème naar aanleiding van de roman Scènes de la vie de bohème uit 1849 van Henri Murger, over de levens van jonge, arme Parijse kunstenaars. Puccini schreef gevoelige passages met als beroemd hoogtepunt de aria ‘Che gelida manina’, het moment dat de liefde tussen de twee hoofdpersonen Rodolfo en Mimì ontluikt. In 1897 werd deze opera voor het eerst in Nederland uitgevoerd in Den Haag.
Dinsdag 28 juni 2016 is hij te zien en te beluisteren, in de open lucht, op de Parade in ‘s-Hertogenbosch, aanvang 20.30 uur.

Jorrit De Streekbakker

de streekbakker

Een stoep vol fietsen geeft de plek aan waar ik moet zijn. Ik loop in een oude stadswijk van Nijmegen waar de gemeente samen met de inwoners haar best doet om de wijk bewoonbaarder te maken. Aan het witte zand op de straatstenen te zien is deze weg kortgeleden opnieuw bestraat. Tussen de arbeiderswoningen staan nieuwbouwwoningen.
Willemskwartier maakt zich vandaag op voor een nieuwe bakker in de buurt.
Tegenover de fietsen is een speeltuin waar een originele Indiaanse tipi bevolkt wordt door kinderen in moderne Nederlandse kleding.

‘De Streekbakker’ staat er met grote letters geschreven boven de rode pui van de bakkerij. Binnen word ik verwelkomt door Jorrit, die gelukkig bij de ingang blijft staan zodat hij gevonden kan worden. Want binnen is het druk, heel druk. Allemaal enthousiaste vrienden, familie en kennissen die via een crowdfunding actie mee hebben geholpen om vandaag zaterdag 16 april 2016 de bakkerij officieel te kunnen openen.

De winkel is heerlijk licht ingericht, wit en veel ruimte. Aan de rechterkant een lange houten tafel met banken en stoelen, zodat je ook grote mokken thee of koffie kunt drinken met daarbij een heerlijk stuk brood. Een heerlijk stuk brood schrijf ik, maar daarmee doe ik het brood en de bakker te kort. Op zijn website schrijft Jorrit:
“Als je kiest voor brood van De Streekbakker, kies je voor beleving. Je ziet waar het brood vandaan komt, je kunt het bakken van het brood zelf ervaren en de geur, de smaak en de aanraking van het brood zijn een beleving. De broden en koeken van De Streekbakker worden gebakken met natuurlijke ingrediënten. Het graan van deze producten wordt verbouwd door Andre Jurrius van Ekoboerderij De Lingehof in Hemmen en gemalen door Bart Mols van korenmolen De Vlijt in Wageningen.”

In de bakkerij kom ik Suzanne tegen, die geen moment rust heeft met zoveel mensen die haar en Jorrit willen zien en spreken. Terwijl de ovens hun werk doen om straks een aantal saucijzenbroodjes te produceren zie ik Huub, hun zoontje, rondlopen en de mooiste bellen blazen.

Achter de bakkerij staat de houtoven waarmee Jorrit regelmatig op allerlei festivals aan het werk is om appelkaneelbroodjes te verkopen. In de rook van de oven staat een fiere man trots om zich heen te kijken. Het blijkt de oud leraar – brood en banket – van Jorrit te zijn. Hij heeft me alles vertelt van de deegkneed-, oprol- en langmaakmachines, desemautomaten, bakplaten en werktafels. En ondertussen smul ik van de pizza broodjes die om de paar minuten de oven verlaten.

Mocht je ooit in de buurt zijn, ga gerust eens binnen en smul van zuiver natuurlijke producten bij een vers gezet bakje koffie (of thee):
‘De streekbakker’, Thijmstraat 119, Nijmegen

Vorm en leegte

Omgevallenboom

Het is een herfstdag, waarbij de zon laag aan de horizon staat en de wind mijn handen en voeten als steen betoveren. In het bos zie ik een boom liggen. Hij ligt er al een tijdje. Misschien slachtoffer geworden van de juni storm 2011 in Vught?

Ik weet nog goed dat ik training stond te geven op de atletiekbaan en de lucht veranderde in een apocaliptisch schouwspel. Ik floot naar mijn dochter die aan de andere kant van de baan aan het trainen was. Rennen en fietsen. We werden als een gek naar huis geblazen. De fietsen hadden we net in het schuurtje ondergebracht toen de regen met grote emmers over ons uitgestort werd en de wind zo hard aantrok, dat ik de deur amper in zijn sponning terug kreeg.

De boom zal toen wel uit zijn vorm geblazen zijn. Van de boom verwacht je dat deze verticaal omhoog staat en zo zijn wereld overziet. Nu ligt hij uit vorm, horizontaal en na al die jaren vergaat hij steeds verder. De inhoud van deze niet-gevulde vorm heeft andere planten ruimte gegeven en ook ruimte aan de najaarszon. De vorm vergaat steeds verder en brengt ruimte aan de leegte. Als we niet wisten van de boom die hier rechtop heeft gestaan, dan wisten we nu ook niet van de leegte die hij achter heeft gelaten. Vorm en leegte horen bij elkaar.

‘ Zo, Shariputra, zijn alle dingen naar hun aard leeg. Ze hebben een begin noch een einde.’

Ik heb, ondanks de koude, even plaatsgenomen op de omgevallen boom. Ik voel de kracht van het nog sterke hout. De bast die afbrokkelt. Ik plaats mijn handen op de stam en neem zijn energie in me op. Dit ritueel geeft me kracht om andere mensen te ontmoeten. Rituelen zijn voor mij een vorm van verbinding aangaan. Een verbinding met mijzelf, met een ander of het andere. Soms houden ze me af van waar ik echt mee bezig wil zijn. Lees daarvoor het verhaal van de 950 gaten. Als er angst bij om de hoek komt zetten, kunnen mijn rituelen verzanden in dwangmatig gedrag en word ik vastgehouden. Zodra ik me daar bewust van ben, wil ik naar de leegte. De leegte die hoort bij dit ritueel. Leven in die leegte is nog spannender dan leven met de vorm. Vorm geeft houvast, daarvan weet je wat de betekenis is. Van leegte weet ik nog weinig. Een periode in mijn leven mocht ik niets doen, een vorm van leegte die ongelofelijk moeilijk in te vullen was, ongelofelijk moeilijk leeg te houden.

Toch ben ik blij dat ik af en toe mag terug vallen op de vorm, even zitten op de boom.

K’nijn in Benin

Boekjebenin

Het busje danst over de snelweg. Ik verminder vaart met de bedoeling om nog enigszins veilig thuis aan te komen. In het busje zitten een aantal mannen. De een kijkt zijwaarts uit het raam, aan niets is te zien of hij het ritje leuk vind of niet. Een ander zit hevig te springen op de achterbank. In een repeterend ritme zet hij met twee handen en voeten af, springt in zithouding de lucht in en landt weer op de stoelzitting. Naast hem zit een man die in zijn handen wrijft en die handen vlak bij zijn neus en voor zijn rechteroog houdt. En midden in het busje zit Toon. Toon bekijkt de situatie, schudt zijn hoofd en zegt zachtjes: ‘Ze zijn allemaal gek.’
Stapvoets rijd ik de straat in.
‘En hier woon ik dan,’  zeg ik, ‘hier gaan we een kopje koffie drinken.’
‘Met een koekje,’ fluistert Toon erachter aan.
De mannen zitten aan de achterkamer tafel. Gelukkig zit de springer stil, aangezien ik er niet zeker van ben of mijn stoelen de kracht van zijn sprongen aan kunnen.
Toon kijkt ondertussen rond. Ik zie dat hij krachtig slikt en zegt: ‘Foppe heeft een k’nijn in kamer.’
Hij draait zich om naar mij en kijkt me met grote ogen aan. Daarna kijkt hij weer naar de konijnenkooi en zegt nogmaals: ‘Foppe heeft een k’nijn in kamer.’
In de jaren daarna, als ik op de groep kwam waar deze mannen woonden, was steeds het eerste wat Toon tegen me zei: ‘Foppe heeft een k’nijn in kamer.’ In het begin vertelde ik hem nog wel dat het konijn al tijden dood was, maar dat weerhield hem er niet van om zijn verbazing steeds weer opnieuw uit te spreken.

Hier moest ik aan denken toen ik afgelopen vrijdag bij het Liliane fonds in ‘s-Hertogenbosch was. Het fonds biedt al 35 jaar hulp aan de allerarmste kinderen met een handicap in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. En ter gelegenheid van die 35 jaar is er een boekje uitgekomen: De ‘bezeten’ kinderen van Benin.
Bram van Ojik (Groenlinks) en de twee schrijvers, Annemarie Haverkamp en Bob van Huët vertelden hun verhalen over Benin, een republiek aan de Afrikaanse westkust. Ze spraken over voodoo en over Joseph Hountovo, de Matthijs van Nieuwkerk van Benin. Een razend populaire presentator die voor het oog van de camera, live op televisie, vertelde dat hij een gehandicapte zoon heeft, een eerstgeborene en door die bekentenis een lans brak voor alle gehandicapte kinderen in zijn land.
En terwijl dat allemaal gebeurt, denk ik aan al die ‘bezeten’ kinderen en de mensen die hen begeleiden en spreek ik zachtjes de hoop uit dat we nooit zullen vergeten dat we in verbondenheid met elkaar leven.

Oneindige knuffelbeer

Park

Er zijn van die woorden die ik bijna niet kan uitspreken. Woorden die uit iets te veel lettergrepen bestaan, zoals jurisprudentie, aluminium of meteorologisch. Ik mis dan het overzicht en haal de grepen en letters door elkaar. 

Maar zelfs in hele kleine woorden vind ik mijn uitdaging. De laatste tijd heb ik moeite met het woord ‘mijn’, een bezittelijk voornaamwoord. En juist in dat bezittelijke zit mijn uitdaging. 

Iets bezitten is vergankelijk, iets wat je bezit kan je ook kwijt raken. Een auto, een fiets, een huis, dat begrijp ik allemaal nog wel. Maar zodra het aankomt op mensen wordt het lastiger. Wat doe ik met de uitspraak: ‘dit is mijn kind’? Met moeite kan ik die twee woorden achter elkaar uitspreken. Ik weet nog dat ik zo’n kleine spruit op één arm kon dragen en dacht: ‘daar ben ik nu verantwoordelijk voor.’ 

Het woordje ‘mijn’ beperkt voor mij de ruimte van de ander, sluit de ander in in mij. Het liefst zou ik daar een ander woord voor in de plaats zetten, maar het is nog niet gelukt een goed woord te vinden. Een woord dat de verbinding aangeeft en de ruimte. Ik kan er wel een zin van maken, maar die maakt de conversatie erg lang. ‘ Dit is het kind dat dicht bij me mag komen, die mij in mijn kleinste blijdschap en verdriet mag zien. Oftewel ‘mijn kind’.

Nog even een avondwandeling. De hoge temperatuur van de zomer daalt langzaam nu de dagen weer korter worden. De zon staat laag en komt nog net boven de bomenrij uit. Uit de kledingkast heb ik mijn trui gepakt, een jas wil ik nog niet aan. Tussen de bomen lopen Linda en ik rustig, terwijl de merels over het paadje van de ene naar de andere kant hippen. In de verte nadert een groep jongens, ze zullen de brugklas leeftijd hebben. Hun fietsen vol sporttassen en hun geklets is al van verre te horen.

Bij de hoek van de weg rijden ze langs ons. ‘Wat een lieve knuffelbeer meneer,’ roept een van de jongens. Linda trekt me wat dichter naar zich toe, draait zich lachend om en roept: ‘Lief hè en hij is van MIJ!’ 

Tja, zij mag dat zeggen, zij is MIJN vrouw.

(Marco Borsato – kleine oneindigheid)

Ik druk je dicht tegen me aan
mijn wang en mijn handen op jou gezicht
ik zie je hier zo voor me staan
ook al is het misschien met mijn ogen dicht
ik voel je nog steeds elke dag om me heen
al weet ik dat dat niet zo is
zo groot het gevoel
zo groot het gemis

Jou herinnering reist door de tijd
door de ontelbare getallen tussen 0 en 1
als een kleine oneindigheid
die ik draag als een mantel
van jou om me heen
want al voelen de dagen vaak leeg zonder jou
zijn de nachten veel kouder alleen
Het beeld van jou naast me
sleept me er steeds weer doorheen

dus ik hou je gevangen in zeeën van tijd
waar seconden een leven lang duren
waar alles ontstaat en waar niets ooit verdwijnt
in mijn hart, in mijn liefde voor jou
waar de klok één keer slaat elke eeuwigheid
en de richting onmeetbaarheid sturen
buigt mijn liefde de droom om naar werkelijkheid
omdat ik nog zo veel van je hou
en al ben ik je soms even kwijt
dan vind ik je terug in zo’n kleine oneindigheid

Slechts een speldenprik
hadden jij en ik
maar dat maakt geen verschil
de tijd is relatief, ben jij niet mijn lief
de liefde telt niet hoe lang of hoe vaak
maar hoeveel

In herinnering ben je voor altijd bij mij

ik hou je gevangen in zeeën van tijd
waar seconden een leven lang duren
waar alles ontstaat en waar niets ooit verdwijnt
in mijn hart, in mijn liefde voor jou
waar de klok 1 keer slaat elke eeuwigheid
en de richting onmeetbaarheid sturen
buigt mijn liefde de droom om naar werkelijkheid
omdat ik zoveel van je hou
en al ben ik je soms even kwijt
dan vind ik je terug in zo’n kleine oneindigheid

Het stervende kind van Kopenhagen

Hcandersen

Onder een uitgestrekt wolkendek
Sta ik bij de aanlegplek
Waar een Dana net heeft aangemeerd
En het grauwe water in de Nyhavn me kalmeert
In die gekleurde huizen naast elkaar
heeft H.C. Andersen geleefd, zowaar
Tussen de huizen van zeemansplezier
Hield hij zijn aandacht bij het schrijfpapier
Bijna heel zijn leven sleet hij in Kopenhagen
En heeft er Det døende Barn aan de wereld opgedragen
Een gedicht over het stervende kind
En de liefde hen samenbindt

‘ Maar dan moet jij (moeder) wel je tranen drogen
als jij huilt, dan huil ik ook gelijk.
O, ik ben zo moe… ga dicht, mijn ogen….
Moeder, de engel gaat me kussen! Kijk! ‘

Hij was toen eenentwintig jaren jong deze vrijgezel
Een vreemde snuiter, dat blijkt ook wel
Uit de tekst van een kaartje naast zijn bed:
‘Ik ben niet dood, dat lijkt maar zo’, had hij erop gezet
Kopenhagen, een gastvrije stad
waar Hans Christiaan Andersen de wereld vergat
Zijn sprookjes en gedichten zijn geprezen
En worden over de hele aarde gelezen
Als je je ooit in deze stad bevindt
Denk dan nog eens aan het gedicht van het stervende kind

[Gedicht van Willem Wilmink]
Het stervende kind naar H.C. Andersen

Moeder. ik ben moe, nu wil ik slapen,
laat me bij je komen, heel, heel dicht.
En jezelf niet meer aan ’t huilen maken,
want die traan is heet op mijn gezicht.
Hier is ’t koud, en storm is aan de ramen,
maar in dromen, daar is alles fijn.
‘k Zie de lieve engeltjes daar samen.
als mijn ogen maar gesloten zijn.

Moeder, zie je de engel bij me zitten?
Mooi is de muziek ook, hoor je dat?
Kijk, hij heeft twee vleugels, mooie witte,
heeft hij zeker van de Heer gehad.
Groen, rood, geel zie ‘k voor mijn ogen zweven:
bloemen. Heeft de engel dat gedaan?
Krijg ik ook al vleugels in mijn leven,
moeder, of moet ik zijn doodgegaan?

Waarom druk je nu zo op mijn handen?
Waarom ligt je wang op die van mij?
Hij is nat, en toch voel ik hem branden.
Moeder, wij zijn samen, ik en jij.
Maar dan moet jij wel je tranen drogen
als jij huilt, dan huil ik ook gelijk.
O, ik ben zo moe… ga dicht, mijn ogen….
Moeder, de engel gaat me kussen! Kijk!

Willem Wilmink