Categorie archieven: Liefde

Liefde

Oma en Elias

Er was eens, in een klein dorp tussen de heuvels, een jongen van tien jaar die Elias heette. Hij woonde aan de rand van het bos, in een huisje waar de wind altijd zachtjes langs de ramen floot. Elias hield van tekenen, van bomen beklimmen en van stilte. Maar het allermeest dacht hij na over één vraag:

“Waarom voelen mensen zich soms alleen, terwijl er zoveel mensen zijn?”

Zijn oma glimlachte altijd als hij dat vroeg.

“Misschien,” zei ze dan, “omdat mensen vergeten wie ze werkelijk zijn.”

Dat vond Elias een vreemd antwoord.

Op een middag, vlak voor de zomer begon, gaf zijn oma hem een klein houten doosje. Het was oud en glad geworden door vele handen.

“Wat zit erin?” vroeg Elias.

“Dat kun je alleen ontdekken als je het niet probeert open te breken,” zei ze geheimzinnig. “Neem het mee naar buiten. En luister.”

Elias snapte er niets van, maar hij stopte het doosje in zijn jaszak en ging naar buiten. In het midden van het dorpje was een klein park, met prachtige oude bomen.

Het was stil tussen de bomen. Alleen vogels zongen ergens hoog boven hem.

Op een bankje in het park zat een meisje, ze had donker krullend haar en keek verdrietig naar de grond.

“Hallo,” zei Elias voorzichtig.

Het meisje keek op. “Hoi.”

“Ik ben Elias.”

“Ik heet Mira.”

Ze zwegen even.

“Waarom kijk je zo verdrietig?” vroeg Elias.

Mira haalde haar schouders op. “Omdat ik denk dat niemand me echt aardig vindt.”

Elias ging naast haar zitten.

“Ik denk dat mensen mij soms vergeten,” zei Mira zacht. “Alsof ik er niet echt bij hoor.”

Elias dacht aan de woorden van zijn oma.

“Misschien vergeten mensen soms wie ze werkelijk zijn,” zei hij langzaam.

Mira keek hem verbaasd aan. “Wat bedoel je?”

Elias haalde het houten doosje uit zijn zak.

“Dat probeer ik juist te begrijpen.”

Mira draaide het doosje om in haar handen. Er zat geen slot op, het had geen klepje. Er stond alleen één zin op, heel klein in het hout gegraveerd:

¨Wat je zoekt, draag je al bij je.¨

“Dat is een rare zin,” zei Mira.

“Dat dacht ik ook.”

Ze zaten een tijdje stil. Toen zei Mira:

“Mijn vader zegt altijd dat liefde iets is wat je moet verdienen.”

Elias trok een grasspriet uit de grond.

“Maar bomen verdienen toch ook geen zonlicht?”

Mira keek omhoog.

“En vogels hoeven niet eerst perfect te vliegen voordat de lucht van hen houdt,” ging Elias verder.

Mira glimlachte een beetje.

Toen gebeurde er iets vreemds.

Het doosje werd warm.

Niet heet, maar meer alsof er zacht licht in zat.

Elias hield zijn adem in. Langzaam ging het doosje vanzelf open.

Binnenin lag… niets.

“Leeg?” zei Mira verbaasd.

Elias voelde teleurstelling opkomen. “Misschien is het stuk.”

Maar toen zagen ze iets op de bodem staan. Kleine letters, bijna onzichtbaar:

¨Liefde is niet iets wat je krijgt. Liefde is wat je bent.¨

De wind streek door de bomen alsof het bos zelf luisterde.

Mira fluisterde de woorden opnieuw.

“Liefde is wat je bént…”

“Maar hoe kan dat?” vroeg Elias.

Op dat moment hoorden ze het grind kraken, er kwam een oude man met een blauwe jas langzaam hun kant oplopen, in zijn handen droeg hij een mand vol appels.

“Ik denk,” zei hij glimlachend, “dat jullie net een belangrijke ontdekking hebben gedaan.”

“Wie bent u?” vroeg Mira.

“Gewoon iemand die graag wandelt,” zei de man.

Hij ging tegenover hen in het gras zitten alsof hij alle tijd van de wereld had.

“Veel mensen denken,” zei hij, “dat liefde betekent dat iemand zegt dat je goed genoeg bent. Maar echte liefde kijkt anders.”

“Hoe dan?” vroeg Elias.

“Echte liefde ziet al dat je goed bent. Zelfs wanneer jij het vergeet.”

Mira keek naar haar schoenen.

“Maar soms maken mensen gemene opmerkingen.”

“Dat klopt,” zei de man zacht. “Mensen vergeten soms hun eigen licht. En wanneer iemand zijn eigen licht vergeet, ziet hij het ook moeilijker in anderen.”

“Dus als iemand gemeen doet…” begon Elias.

“…dan vraagt die persoon eigenlijk om liefde,” maakte de man de zin af.

Mira fronste.

“Dat is moeilijk.”

“Ja,” zei de man. “Maar moeilijk betekent niet onmogelijk.”

Hij pakte een appel uit zijn mand en gaf hem aan Mira.

“Stel je voor dat de zon alleen zou schijnen voor perfecte mensen. Dan zou de wereld donker worden.”

Mira moest lachen.

“Dat zou raar zijn.”

“Liefde lijkt op zonlicht,” zei de man. “Ze kiest niet. Ze straalt gewoon.”

Elias voelde iets warms in zijn borst. Alsof hij iets begreep wat hij niet in woorden kon uitleggen.

De man stond op.

“Onthoud één ding,” zei hij. “Iedere keer dat je iemand echt vriendelijk aankijkt, herinner je die persoon even aan wie hij werkelijk is.”

“En wie zijn we dan werkelijk?” vroeg Mira.

De oude man glimlachte.

“Meer liefde dan angst.”

Toen liep hij verder tussen de bomen tot hij verdwenen was.

Die avond liep Elias naar huis terwijl de lucht roze kleurde. Het houten doosje voelde niet meer zwaar in zijn zak.

Thuis zat zijn oma thee te drinken.

“En?” vroeg ze.

Elias ging naast haar zitten.

“Ik denk dat ik het snap.”

Zijn oma glimlachte.

“Vertel.”

Elias dacht even na.

“Ik denk… dat liefde niet iets is wat opraakt, het is er gewoon altijd, alleen vergeten mensen het soms.”

Zijn oma knikte langzaam.

“En wat gebeurt er als iemand het zich weer herinnert?”

Elias glimlachte.

“Dan voelen andere mensen het ook.”

Zijn oma keek hem trots aan.

“Dat,” zei ze zacht, “is een wonder.”

Die nacht lag Elias in bed terwijl de maan door het raam scheen. Hij dacht aan Mira. Hij dacht aan de oude man en aan de woorden in het doosje.

¨Liefde is wat je bent.¨

Voor het eerst voelde die zin niet vreemd.

Hij voelde waar.

En ergens diep van binnen wist Elias ineens: misschien was niemand ooit echt alleen.

Misschien waren mensen soms gewoon vergeten, hoeveel licht ze samen droegen.

 

De dood en het leven

De dood en het leven.

Er was eens een man die Nathan heette en een vrouw die Anna heette. Ze woonden aan de rand van een klein dorp, in een huis waar de wind altijd zacht langs  de ramen streek alsof hij iets wilde vertellen.

Nathan was ziek. Niet een beetje ziek, niet een ziekte die over zou gaan met rust of medicijnen, maar een ziekte waarvan de artsen hadden gezegd: “Wij kunnen niets meer doen.”

Sindsdien was de stilte in huis anders geworden. Niet leeg, niet koud, maar zwaar. Alsof ieder kopje koffie, ieder geluid van een stoel, ieder ochtendlicht iets met zich meedroeg dat niet uitgesproken werd.

Anna probeerde sterk te zijn. Ze kookte soep die Nathan nauwelijks opat. Ze sloeg dekens om hem heen wanneer hij het koud kreeg. Ze glimlachte vaker dan ze voelde.

Maar ’s nachts, wanneer Nathan sliep, zat ze alleen aan de keukentafel en dacht ze: Hoe moet ik verder als hij er niet meer is? En soms dacht Nathan precies hetzelfde.

Op een avond zaten ze samen buiten. De lucht kleurde diepblauw en ergens in de verte blafte een hond. Nathan keek naar de hemel. “Weet je,” zei hij zacht, “ik ben niet alleen maar bang om dood te gaan. “ Anna keek hem aan. “Waar ben je dan bang voor?” Hij zweeg even. “Dat alles verdwijnt. Dat jij verdwijnt. Dat ik verdwijn. Alsof we nooit echt hier geweest zijn.” Anna pakte zijn hand steviger vast. “Ik weet het ook niet,” fluisterde ze.

De dagen gingen voorbij. Langzaam, soms mooi, soms ondraaglijk. En op een middag kwam Anna thuis met een oud boek uit een tweedehandswinkel. De kaft was versleten. “Waarom nam je dat mee?” vroeg Nathan glimlachend. “Omdat het uit de kast viel toen ik langsliep,” zei ze. “Alsof het gekozen wilde worden.” Hun hele leven hadden ze de kleine tekenen opgemerkt , zoals een vlinder die voorbij kwam als ze aan hun overleden ouders dachten of de zon die doorbrak op het moment dat ze zich verdrietig voelden. Nathan lachte zacht. “In dat geval moeten we het waarschijnlijk lezen.”

Die avond begonnen ze samen te lezen. Niet veel. Een paar bladzijden tegelijk. Er stonden vreemde dingen in. Dat liefde werkelijk is. Dat angst geleerd wordt. Dat de dood misschien niet het einde is, maar slechts een idee waar mensen in geloven. Soms vonden ze het ingewikkeld. Soms werden ze er zelfs boos van. Maar af en toe stond er een zin die hen stil maakte. Een zin die niet alleen gelezen werd, maar gevoeld.

Op een avond las Anna hardop: “Wat werkelijk is, kan niet verloren gaan.” Nathan sloot zijn ogen. “Wat denk jij dat dat betekent?” vroeg hij. Anna dacht lang na. “Misschien,” zei ze voorzichtig, “dat liefde niet ophoudt wanneer een lichaam ophoudt.” De wind streek langs het huis. Nathan keek naar haar alsof hij haar voor het eerst zag. “Dan zou dood eigenlijk niet sterker zijn dan liefde.” “Nee,” zei Anna. “Misschien helemaal niet.”

Vanaf dat moment veranderde er iets. Niet de ziekte. Nathan bleef zwakker worden. Soms kon hij nauwelijks lopen. Soms was de pijn zo hevig dat spreken moeite kostte. Maar de angst begon langzaam open te breken. Ze praatten meer. Niet alleen over ziekenhuizen en medicijnen, maar over vroeger. Over de dag dat ze elkaar ontmoetten. Over hun eerste vakantie aan zee. Over hoe Nathan altijd zong wanneer hij nerveus was. Over hoe Anna nooit een plant in leven kon houden. Ze lachten steeds vaker. En soms gebeurde er iets vreemds. Dan vergaten ze heel even dat Nathan ziek was. Alsof er onder alle zorgen een andere werkelijkheid lag. Rustiger, groter.

Op een nacht kon Nathan niet slapen. Anna vond hem beneden op de bank, kijkend naar het donker achter het raam. “Doet het pijn?” vroeg ze. “Een beetje.” Ze ging naast hem zitten. Na een tijdje zei Nathan: “Denk je dat mensen echt verdwijnen?” Anna antwoordde niet meteen. “Ik denk,” zei ze uiteindelijk, “dat wij altijd hebben geleerd dat we alleen een lichaam zijn.” Nathan knikte langzaam. “En als dat niet zo is?” “Dan,” zei ze zacht, “zijn we misschien iets dat niet dood kan.”

Nathan keek weer naar buiten. “Ik heb mijn hele leven gedacht dat liefde kwetsbaar was.” Anna legde haar hoofd tegen zijn schouder. “Misschien is liefde juist het enige wat nooit breekt.” Er viel een lange stilte. Maar het was geen verdrietige stilte. Eerder een stilte waarin iets begon te genezen wat dieper lag dan het lichaam.

De weken daarna werd Nathan zichtbaar zwakker. De artsen kwamen vaker. De buren spraken zachter wanneer ze hem zagen. Maar in huis gebeurde iets onverwachts. Er kwam vrede. Niet altijd. Soms waren er tranen. Soms paniek. Soms dagen waarop Anna boos was op het leven zelf. Maar telkens opnieuw vonden ze elkaar terug. Niet in oplossingen, maar in aanwezigheid.

Op een middag vroeg Nathan: “Ben je boos dat ik je achterlaat?” Anna begon meteen te huilen. “Je laat me niet achter,” zei ze uiteindelijk. Hij keek haar verbaasd aan. “Natuurlijk wel.” Ze schudde haar hoofd. “Ik denk dat liefde niet kan verdwijnen. Dus hoe zou jij kunnen verdwijnen?” Nathan zei niets meer. Maar er liep een traan over zijn wang.

De laatste avond samen was stil. Het regende zacht. Anna zat naast het bed terwijl Nathan ademhaalde alsof iedere ademtocht van verder weg kwam. Hij opende zijn ogen nog één keer. “Ben je bang?” fluisterde Anna. Hij dacht lang na. “Niet zoals eerst.” “Waarom niet?” Een zwakke glimlach verscheen op zijn gezicht. “Omdat ik denk dat we elkaar nergens kunnen verliezen.” Anna pakte zijn hand en hield die vast. Heel lang. Alsof tijd even niet meer bestond.

En ergens tussen de regen, de stilte en het zachte licht van de schemering voelde zij iets  wat ze later nooit helemaal onder woorden kon brengen. Niet dat Nathan verdween. Maar eerder dat alle grenzen tussen leven en dood heel even doorzichtig werden.

Alsof liefde fluisterde: Ik ben hier nog steeds. Nathan stierf die nacht. Maar Anna vertelde later aan mensen dat het vreemd genoeg niet voelde alsof hij weg was. Ze voelde verdriet. Diep verdriet. Ze miste zijn stem. Zijn stappen in huis. Zijn hand op de hare. Maar onder dat verdriet lag iets anders. Iets zachts. Een stille zekerheid dat liefde niet afhankelijk is van tijd, van lichamen of van afscheid.

Maanden later wandelde Anna alleen langs het veld achter hun huis. De wind bewoog door het hoge gras. Ze sloot haar ogen. En voor het eerst sinds lange tijd glimlachte ze zonder moeite. Niet omdat alles voorbij was. Maar omdat ze begreep dat liefde nooit bedoeld was om voorbij te gaan. En terwijl de avondzon langzaam over het landschap viel, voelde het leven plotseling  niet kort of breekbaar. Maar oneindig.

Alsof niets werkelijks ooit verloren kan gaan.

 

Het Licht in de Ander

Haan in het licht

Er was eens een klein dorpje aan de rand van een uitgestrekt bos, waar de dagen langzaam voorbijgingen en waar mensen elkaar bij naam kenden. In dit stadje woonde Léon, een gereserveerde man van middelbare leeftijd die zijn dagen doorbracht met het restaureren van oude boeken in zijn kleine werkplaats. Hij had weinig contact met anderen. Niet uit afkeer, maar omdat hij geloofde dat hij alleen beter af was.
“Hoe minder connecties je hebt, hoe minder je lijdt,” herhaalde hij vaak in zichzelf.

Op een regenachtige donderdag trok er in het huis naast hem een nieuwe buurvrouw in: Elena. Zij was warm en spontaan, ze leek haast het tegenovergestelde van Léon.
Binnen een paar dagen kende ze iedereen in de straat. En, tot Léons grote ontsteltenis, begon ze hem elke ochtend opgewekt te begroeten.

“Goedemorgen, Léon!” zei ze met een glimlach, zelfs toen hij knikte zonder een woord te zeggen. Op een ochtend stond Elena voor zijn deur met een taart in haar hand.
“Ik heb iets voor je gemaakt,” zei ze. “Gewoon omdat we buren zijn.”
Léon aarzelde.
Hij wilde haar bedanken en de deur dichtdoen, maar iets in haar blik, die zacht, open, zonder verwachting was, hield hem tegen.
Aarzelend nodigde hij haar binnen.

Ze praatten. Of beter gezegd, Elena praatte, en Léon luisterde. Ze vertelde hem over haar verhuizing, haar hoop om meer rust te vinden in deze stad, haar liefde voor oude boeken. Léon merkte dat hij glimlachte. Niet omdat haar verhalen bijzonder waren, maar omdat hij haar oprechtheid voelde.

Die dag was ze als buurvrouw binnengekomen, maar als iets anders vertrokken. Misschien een vriendin? Hoewel hij dat woord nog niet wilde gebruiken.

In de weken die volgden, namen de bezoeken toe. Soms bracht Elena thee of koffie mee, soms gewoon haar aanwezigheid. En steeds vaker luisterde Léon niet alleen, hij praatte. Over zijn werk, zijn verleden, hoe hij in het verleden gekwetst was. De redenen voor zijn terugtrekking.
Elena luisterde zonder te oordelen.
Ze zei iets dat Léon diep raakte: “De pijn die je voelt, wordt niet veroorzaakt door wat anderen hebben gedaan, maar door wat je over jezelf bent gaan geloven.”
Hij fronste. “Wat bedoel je?”
“Je bent gaan geloven dat je anders bent. Maar dat is niet waar. Wat echt is, kan niet bedreigd worden. Wat onwerkelijk is, bestaat niet.”
Het klonk vreemd, bijna poëtisch, maar het bleef hem bij.
Die nacht droomde Léon dat hij door een spiegel liep. Aan de andere kant zag hij zichzelf, maar hij was er als licht. Een licht dat over alles en iedereen uitstraalde. En overal waar hij keek, zag hij hetzelfde licht ook in anderen. Zelfs in degenen die hem pijn hadden gedaan. Toen hij wakker werd, voelde hij een diepe vrede.
In de dagen erna begon hij de dingen anders te zien. Niet omdat de wereld was veranderd, maar omdat hij ze anders zag.
Op een ochtend vroeg Elena: “Waarom kijk je zo naar me?”
“Ik zie in jou iets wat ik in mezelf zag,” zei Léon. “Licht. Vrede.”
Ze glimlachte. “Dus je begrijpt eindelijk wat altijd al waar is geweest.”

Maar het leven is het leven. Op een dag ontving Léon een brief van zijn broer, met wie hij al jaren geen contact meer had gehad. De brief was met koude woorden geschreven. Een aankondiging van een erfenis, niets meer. Geen warme woorden, geen uitnodiging om te praten. De oude pijn keerde terug, als een storm die hij niet had zien aankomen. “Elke keer dat ik probeer me open te stellen, voel ik me zo naar,” zei hij tegen Elena, “misschien had ik er wel goed aan gedaan me af te sluiten.”
Ze zweeg even. Toen zei ze zachtjes: “Wat je nu voelt, is niet het resultaat van zijn brief, maar van jouw interpretatie. Wat als je alleen maar liefde wilde zien, ongeacht wat anderen doen?”
Hij keek haar aan. “Maar hij verdient mijn vergeving niet.” »
“Elke keer dat je weigert te vergeven,” zei ze, “sluit je jezelf op in een cel van je eigen gedachten. Vergeving is geen geschenk dat je aan een ander geeft. Het is een bevrijding van jezelf.”

Léon bleef stil. Hij wist dat ze gelijk had. Die avond schreef hij een brief terug. De brief was noch lang, noch ontroerend. Het bevatte slechts één zin: “Ik ben er klaar voor je anders te zien.”
Hij verstuurde hem zonder verwachting.
In de weken die volgden, voelde hij zich lichter. Alsof iets waar hij jarenlang aan had vastgeklampt, nu was losgelaten. En met die loslating kwam er ruimte, ruimte voor nieuwe perspectieven, voor meer vriendschap, voor vreugde.

Op een dag vroeg hij Elena: “Wat heeft je hier eigenlijk gebracht? Naar deze stad?”
Ze glimlachte. “Ik zocht naar vrede. Maar ik vond iets beters: herinnering. De herinnering aan wie we werkelijk zijn.”
“En wat zijn we dan?” vroeg Léon.
Ze keek hem recht in de ogen. “Wij zijn liefde. Al het andere is illusie.”
Léon lachte, maar deze keer zonder cynisme. “Misschien heb je gelijk.”

En op dat moment wist hij het zeker: vriendschap wordt niet opgebouwd of verdiend. Het is iets dat we ons herinneren. Het is een band die nooit breekt, die we alleen maar vergeten. En door te kiezen voor liefde, vergeving en verbinding, herinneren we ons wie we zijn. En wie de ander is.

Want in de ander herkennen we onszelf altijd.

Prachtige ogen

Opkomende zon

Vanmorgen zag ik de zon opstaan
Zij had geslapen in het dal naast die van mij

Ze deed haar prachtige ogen open en keek me aan
Mijn hart en lichaam waren warmer dan ooit

En terwijl ik mijn ogen sloot en haar bij me binnen liet komen
Zag ik al die mooie momenten waarop ze bij me was

Onvoorstelbaar prachtig zoals ze mijn hart verwarmt

🌞🌞🌻🌻🌻🌞🌞

Bijna boven op de heuvel

Het is bijna boven op de heuvel
Na een wandeling door velden met bloemen,
met het gezang van de nachtegaal
Het is daar waar ik jouw hart ontmoet

Het is bijna boven op de heuvel
Na een wandeling met vele kronkels in de wegen,
Met jouw hand in de mijne
Het is daar waar jij mijn hart ontmoet

De zon schijnt daar bijna bovenop de heuvel
De schaduwen zijn korter dan de bomen
Mijn hart warmt zich op aan de jouwe
En de aarde om ons heen aan ons

Hier plaats ik ons huis
Op deze plaats van liefde
Bijna bovenop de heuvel
Met een bloementuin en dieren
Met zingende vogels en kinderen

We verwarmen ons huis
Met de warmte van jouw hart en de mijne
We omarmen de wereld
Daar beneden en bijna bovenop de heuvel

Ware Liefde

Zon, tuin

De Verbinding die Liefde heet,
Vrede, Vrijheid en Eenheid.
Die was, is en altijd zal zijn.

In stilte ga je nu verder,
niet weg van ons, maar uit ons zicht.
Want de weg die jij ons leerde
blijft helder in het licht.

Stap voor stap, op eigen adem,
zoals jij de bergen nam,
zonder haast, zonder moeten,
in vertrouwen, kalm en warm.

Je zorg lag als een zachte hand
op mens en dier en steen.
In alles wat je aanraakte
klonk de Liefde er stil doorheen.

Geen top was ooit het doel voor jou,
maar hoe je ernaartoe bewoog.
En in die stille wijsheid
leef jij in ons door.

Wij laten je niet los,
want los is nooit echt waar:
in elke rustige stap die wij zetten,
ben jij nog altijd daar.

Ernst (27-5-1938 / 8-3-2026)
Trifthütte – Innertkirchen
Altendorf/Galgenen – Zurichsee

 

 

 

 

 

Bevrijding

Pioenroos

Bevrijding

Iedere ontmoeting is even stilstaan.
En luisteren naar wat een ander je te vertellen heeft.
De wereld moet even niet.
De ander mag.
Soms zijn er woorden, soms een lach of een traan.

Bij elke ontmoeting mag je even fluisteren:
‘Daar zit wel wat in.’

Bij elke ontmoeting mag je het wonder van bevrijding voelen:
‘Daar zit wel wat in.’

En zo kan er een schil van je afvallen.
En is er verandering.
In jezelf.

Vriendschap

De grens van vroeger en later

Een korte reflexie over vriendschap, liefde en emoties.

Ik voel de vriendschap diep in mijn hart voor vrienden die zijn overleden en van wie ik afscheid heb moeten nemen. Ze mogen weten dat ik ze naast me voel, als ik ’s nachts op straat wil vergeten en wat er in m’n ogen staat geschreven, ze mogen het weten.

(Stef Bos – Door de wind)

Vriendschap een rare mix?
Vriendschap is voor mij een rare mix van liefde en afstoting. Van angst om het niet goed te doen, tot de muze, inspiratiebron waarin liefde en euforie het winnen.
Mijn jeugd heeft daar zeker aan bijdrage, door kleur te geven aan die inhoud van vriendschap.
Zoals twee van mijn vrienden die het ene moment met elkaar konden spelen en het volgende moment achter elkaar aan zaten als kat en muis. Voor mij een verwarrende mix van emoties.
Of die momenten waarop ik, om mezelf geliefd te voelen, de bevestiging van een ander nodig had, anders sloop de angst er in dat ik niet mee telde, er niet toe deed en de liefde niet kreeg.

Is vriendschap voor altijd?
Hoor je bij elkaar te blijven ongeacht wat er gebeurt of mag je elkaar ook loslaten? Bij de dood komt het moment van loslaten vanzelf, het moet wel, dat lijkt een natuurlijke grens. Diep in mijn hart blijft het gevoel van liefde wel aanwezig.

Bij het leven is viendschap voor mij, mijn best doen om te overleven in een woud van emoties, een balans vinden tussen mijn eigen veilige anker, de kracht van de Liefde en aan de andere kant het ego, de boosheid, het verdriet, het niet gehoord worden (de prikkel vanuit mijn jeugd).

Mijn manier van communiceren is vast ook een onderdeel van vriendschap, lukt het me om mijn woorden en emoties in vruchtbare aarde te laten vallen?
Soms lukt het om de balans naar de positieve kant te laten uitslaan, dan kom ik uit een donkere periode, een periode van negatieve gedachten en ga weer door, dan lukt het om het gekrengde ego stil te krijgen en de Liefde te laten overwinnen.
Maar soms is het evenwicht niet meer terug te krijgen en dan is er het afscheid, waardoor er ruimte komt om verder te leven, te ademen.

Op die balansmomenten sta ik op de grens van vroeger en later. Voor me een ruimte die ik nog niet ken en achter me alles wat ik achter moet laten. Dan sta ik daar met niets meer, dan alleen wie ik ben.

(Stef Bos – Ruïnes en spoken)

Emigreren blijkt een moment in mijn leven te zijn van opnieuw balans zoeken in vroeger en later.
Wat doe ik, kijk ik vooruit of achteruit? Kan ik mensen meenemen, dicht bij me houden? Willen mensen met me mee of is de afstand een te grote drempel?
De ene keer is de wederzijdse band zo sterk, dat de ander er altijd is bij mijn schreeuw om hulp, als de angst te groot wordt om alleen te dragen.
Soms vraag ik te veel van een ander en wordt de sterke band verbroken omdat het antwoord niet meer op te brengen is.
Vriendschap is voor mij daarom ook loslaten vanuit Liefde, waardoor ik verder kan groeien en de liefde die ik voel door te kunnen geven aan de ander die op mijn pad komt.

Mijn liefde en vriendschap voor Linda is groter en sterker dan de vriendschap met een vriend. In onze liefde heb ik het vertrouwen om samen stil te staan op grensmomenten en voorzichtig een stap te zetten in het onzekere. Een stap die ik zet vanuit Liefde voor de ander en mezelf.

En ja, af en toe kijk ik achterom.
Dan zie ik naast verdriet om het afscheid van een vriend, ook al die mooie momenten waar ik met liefde aan terugdenk.

 

 

 

De tijd stond even stil

  • Soepie, de kat

De tijd stond even stil …

… toen het verhaal in het boek zo spannend werd.
… toen mijn kleinzoon voor het eerst lachte.
… toen de film helemaal mijn aandacht opeiste.
… toen ik koffie dronk in de zon.
… toen ik hard liep en mijn gedachten in hetzelfde tempo meeliepen.

Er was geen vroeger en er was geen later …
… sinds ik jou voor de eerste keer zag.

************

Le temps s’est arrêté un instant…

… quand l’histoire du livre est devenue si passionnante.
… quand mon petit-fils a ri pour la première fois.
… quand le film a complètement retenu mon attention.
… quand je buvais du café au soleil.
… quand je courais et que mes pensées couraient au même rythme.

Il n’y avait ni avant ni après …
… depuis que je t’ai vu pour la première fois.

Dank je wel Françoise Hardy

Françoise Hardy

De man las zijn tijdschrift en likte aan zijn vinger iedere keer dat hij een bladzijde omsloeg. Daarbij keek hij over zijn bril, die op het puntje van zijn neus balanceerde, steeds even de wereld in. Ik doe dat zelf ook, even de wereld inkijken als ik verdiept ben in een onderwerp. Een manier om te ontspannen en met een andere kijk weer verder te gaan aan het verhaal.

Bij één van de ombladeringen viel zijn oog op mij. Hij zat aan de ene kant van de deur en ik aan de andere op het terras van de dorpsherberg. Het was nog niet echt druk aan de tafeltjes, het was nog vroeg op de avond, maar de waard liep toch regelmatig met lege of volle glazen tussen ons door of vulde de mijne of die van hem.

‘Ah, jou moest ik net hebben,’ zei de man, die zijn bril op de rand van zijn tafel legde. Een poot bungelde naar beneden en het kon niet lang duren voor het kijkgereedschap de weg naar het grind vond. Alles wat balanceert kan twee kanten opgaan.

‘Ja, jou,’ sprak de man en priemde met zijn vinger mijn kant op, ‘heb je het gehoord van Françoise Hardy? Ze is gestorven, terwijl ik dacht dat ze in remissie was.’

Nu moest ik eerlijk bekennen dat ik niet wist dat ze ziek was, wel dat ze al een aardige leeftijd had. Op de middelbare school leerden we Franse chansons te vertalen. Dat waren mooie lessen, want de chansons zelf werden ook afgespeeld. De leraar frans, onder andere gekleed in een zelfgebreid vest en zijn voeten gestoken in open sandalen met geitewollen sokken, had dan zijn platenspeler bij zich en legde een singeltje op de draaischijf. Voor mij een moment om weg te dromen en even niet bezig te zijn met de grammatica van deze toch moeilijke taal. Zo draaide hij, naast nummers van Julien Clerc en Michel Sardou, ook haar hit ‘Tous les garçons et les filles’. Deze hit was uit 1962 en wij bestudeerden haar tekst in 1978 en zelfs nu heb ik haar nummer nog in mijn spotify playlist staan.

‘Goh,’ mompelde ik een beetje uit het lood geslagen, ‘dat wist ik niet.’

De waard vulde mijn glas nog eens aan, tot het randje. Waarbij het, hoe langer de avond duurde, steeds lastiger werd om het vocht in het glaasje te houden als ik het naar mijn mond bracht. Maar meestal ging het goed. Net als bij de bril, die ondertussen alweer op zijn neuspuntje balanceerde. De man had zijn vingers bevochtigd en een bladzijde van zijn tijdschrift omgeslagen. Terwijl ik nog eens naar mijn volle glaasje keek.

‘Op jou Françoise,’ lispelde ik, ‘dank je wel voor jouw muziek en dat je anders was dan alle anderen uit jouw tijd. Voordat ik vanavond mijn bed in kruip, draai ik nog 1x jouw lied over een jonge vrouw die de liefde nooit gekend heeft en haar jaloezie richting de koppels om haar heen. Santé’