Categorie archieven: Column

Column

Het Licht in de Ander

Haan in het licht

Er was eens een klein dorpje aan de rand van een uitgestrekt bos, waar de dagen langzaam voorbijgingen en waar mensen elkaar bij naam kenden. In dit stadje woonde Léon, een gereserveerde man van middelbare leeftijd die zijn dagen doorbracht met het restaureren van oude boeken in zijn kleine werkplaats. Hij had weinig contact met anderen. Niet uit afkeer, maar omdat hij geloofde dat hij alleen beter af was.
“Hoe minder connecties je hebt, hoe minder je lijdt,” herhaalde hij vaak in zichzelf.

Op een regenachtige donderdag trok er in het huis naast hem een nieuwe buurvrouw in: Elena. Zij was warm en spontaan, ze leek haast het tegenovergestelde van Léon.
Binnen een paar dagen kende ze iedereen in de straat. En, tot Léons grote ontsteltenis, begon ze hem elke ochtend opgewekt te begroeten.

“Goedemorgen, Léon!” zei ze met een glimlach, zelfs toen hij knikte zonder een woord te zeggen. Op een ochtend stond Elena voor zijn deur met een taart in haar hand.
“Ik heb iets voor je gemaakt,” zei ze. “Gewoon omdat we buren zijn.”
Léon aarzelde.
Hij wilde haar bedanken en de deur dichtdoen, maar iets in haar blik, die zacht, open, zonder verwachting was, hield hem tegen.
Aarzelend nodigde hij haar binnen.

Ze praatten. Of beter gezegd, Elena praatte, en Léon luisterde. Ze vertelde hem over haar verhuizing, haar hoop om meer rust te vinden in deze stad, haar liefde voor oude boeken. Léon merkte dat hij glimlachte. Niet omdat haar verhalen bijzonder waren, maar omdat hij haar oprechtheid voelde.

Die dag was ze als buurvrouw binnengekomen, maar als iets anders vertrokken. Misschien een vriendin? Hoewel hij dat woord nog niet wilde gebruiken.

In de weken die volgden, namen de bezoeken toe. Soms bracht Elena thee of koffie mee, soms gewoon haar aanwezigheid. En steeds vaker luisterde Léon niet alleen, hij praatte. Over zijn werk, zijn verleden, hoe hij in het verleden gekwetst was. De redenen voor zijn terugtrekking.
Elena luisterde zonder te oordelen.
Ze zei iets dat Léon diep raakte: “De pijn die je voelt, wordt niet veroorzaakt door wat anderen hebben gedaan, maar door wat je over jezelf bent gaan geloven.”
Hij fronste. “Wat bedoel je?”
“Je bent gaan geloven dat je anders bent. Maar dat is niet waar. Wat echt is, kan niet bedreigd worden. Wat onwerkelijk is, bestaat niet.”
Het klonk vreemd, bijna poëtisch, maar het bleef hem bij.
Die nacht droomde Léon dat hij door een spiegel liep. Aan de andere kant zag hij zichzelf, maar hij was er als licht. Een licht dat over alles en iedereen uitstraalde. En overal waar hij keek, zag hij hetzelfde licht ook in anderen. Zelfs in degenen die hem pijn hadden gedaan. Toen hij wakker werd, voelde hij een diepe vrede.
In de dagen erna begon hij de dingen anders te zien. Niet omdat de wereld was veranderd, maar omdat hij ze anders zag.
Op een ochtend vroeg Elena: “Waarom kijk je zo naar me?”
“Ik zie in jou iets wat ik in mezelf zag,” zei Léon. “Licht. Vrede.”
Ze glimlachte. “Dus je begrijpt eindelijk wat altijd al waar is geweest.”

Maar het leven is het leven. Op een dag ontving Léon een brief van zijn broer, met wie hij al jaren geen contact meer had gehad. De brief was met koude woorden geschreven. Een aankondiging van een erfenis, niets meer. Geen warme woorden, geen uitnodiging om te praten. De oude pijn keerde terug, als een storm die hij niet had zien aankomen. “Elke keer dat ik probeer me open te stellen, voel ik me zo naar,” zei hij tegen Elena, “misschien had ik er wel goed aan gedaan me af te sluiten.”
Ze zweeg even. Toen zei ze zachtjes: “Wat je nu voelt, is niet het resultaat van zijn brief, maar van jouw interpretatie. Wat als je alleen maar liefde wilde zien, ongeacht wat anderen doen?”
Hij keek haar aan. “Maar hij verdient mijn vergeving niet.” »
“Elke keer dat je weigert te vergeven,” zei ze, “sluit je jezelf op in een cel van je eigen gedachten. Vergeving is geen geschenk dat je aan een ander geeft. Het is een bevrijding van jezelf.”

Léon bleef stil. Hij wist dat ze gelijk had. Die avond schreef hij een brief terug. De brief was noch lang, noch ontroerend. Het bevatte slechts één zin: “Ik ben er klaar voor je anders te zien.”
Hij verstuurde hem zonder verwachting.
In de weken die volgden, voelde hij zich lichter. Alsof iets waar hij jarenlang aan had vastgeklampt, nu was losgelaten. En met die loslating kwam er ruimte, ruimte voor nieuwe perspectieven, voor meer vriendschap, voor vreugde.

Op een dag vroeg hij Elena: “Wat heeft je hier eigenlijk gebracht? Naar deze stad?”
Ze glimlachte. “Ik zocht naar vrede. Maar ik vond iets beters: herinnering. De herinnering aan wie we werkelijk zijn.”
“En wat zijn we dan?” vroeg Léon.
Ze keek hem recht in de ogen. “Wij zijn liefde. Al het andere is illusie.”
Léon lachte, maar deze keer zonder cynisme. “Misschien heb je gelijk.”

En op dat moment wist hij het zeker: vriendschap wordt niet opgebouwd of verdiend. Het is iets dat we ons herinneren. Het is een band die nooit breekt, die we alleen maar vergeten. En door te kiezen voor liefde, vergeving en verbinding, herinneren we ons wie we zijn. En wie de ander is.

Want in de ander herkennen we onszelf altijd.

Prachtige ogen

Opkomende zon

Vanmorgen zag ik de zon opstaan
Zij had geslapen in het dal naast die van mij

Ze deed haar prachtige ogen open en keek me aan
Mijn hart en lichaam waren warmer dan ooit

En terwijl ik mijn ogen sloot en haar bij me binnen liet komen
Zag ik al die mooie momenten waarop ze bij me was

Onvoorstelbaar prachtig zoals ze mijn hart verwarmt

🌞🌞🌻🌻🌻🌞🌞

Bevrijdingsdag 2026

Kind

Bevrijding van Europa – 8 mei.

In zijn memoires schreef Charles de Gaulle (Militair en voormalig President van Frankrijk 1890-1970) over zijn dochter Anne:
“Dit kind was ook een genade voor mij, het heeft mij geholpen om boven menselijke crises uit te stijgen, om er met een andere blik naar te kijken”

Het kind…
komt ter wereld zonder vijanden.
In zijn lach sterft de echo van de strijd — alsof de oorlog nooit meer was dan een vergeten droom. Zijn licht breekt door muren die wij hebben gebouwd, en laat zien dat ze nooit werkelijk bestonden.

Het kind …
kent geen grenzen van “wij” en “zij”, geen verhalen van scheiding.
Hij beweegt vrij, valt en staat op zonder angst, zonder de last van oude gevechten die nooit de zijne waren.
In hem wordt bevrijding zichtbaar: niet als overwinning op een ander, maar als het einde van de behoefte om te vechten.

Elke dag opent zich als vrede, een veld waar geen strijd meer hoeft te worden gestreden. Waar niets verdedigd hoeft te worden, omdat niets werkelijk bedreigd is.

Zijn ogen kijken zonder oordeel en in dat kijken lossen alle verschillen op. Hij herinnert ons eraan dat angst geleerd is —en dus ook weer kan worden losgelaten.
Wanneer hij slaapt, lijkt de wereld haar wapens neer te leggen. Alsof alles wat hard was zacht mag worden, alsof vergeving vanzelf ontstaat in de stilte van zijn adem.

En wanneer hij ontwaakt, brengt hij geen strijd terug —maar de stille uitnodiging om opnieuw te kiezen: voor vrede in plaats van gelijk, voor liefde in plaats van angst.

Het kind is bevrijding zelf — niet van buitenaf gegeven, maar van binnenuit herinnerd.
En in zijn aanwezigheid wordt duidelijk: de oorlog eindigt waar wij ophouden hem in onszelf voort te zetten.

Bijna boven op de heuvel

Het is bijna boven op de heuvel
Na een wandeling door velden met bloemen,
met het gezang van de nachtegaal
Het is daar waar ik jouw hart ontmoet

Het is bijna boven op de heuvel
Na een wandeling met vele kronkels in de wegen,
Met jouw hand in de mijne
Het is daar waar jij mijn hart ontmoet

De zon schijnt daar bijna bovenop de heuvel
De schaduwen zijn korter dan de bomen
Mijn hart warmt zich op aan de jouwe
En de aarde om ons heen aan ons

Hier plaats ik ons huis
Op deze plaats van liefde
Bijna bovenop de heuvel
Met een bloementuin en dieren
Met zingende vogels en kinderen

We verwarmen ons huis
Met de warmte van jouw hart en de mijne
We omarmen de wereld
Daar beneden en bijna bovenop de heuvel

Ware Liefde

Zon, tuin

De Verbinding die Liefde heet,
Vrede, Vrijheid en Eenheid.
Die was, is en altijd zal zijn.

In stilte ga je nu verder,
niet weg van ons, maar uit ons zicht.
Want de weg die jij ons leerde
blijft helder in het licht.

Stap voor stap, op eigen adem,
zoals jij de bergen nam,
zonder haast, zonder moeten,
in vertrouwen, kalm en warm.

Je zorg lag als een zachte hand
op mens en dier en steen.
In alles wat je aanraakte
klonk de Liefde er stil doorheen.

Geen top was ooit het doel voor jou,
maar hoe je ernaartoe bewoog.
En in die stille wijsheid
leef jij in ons door.

Wij laten je niet los,
want los is nooit echt waar:
in elke rustige stap die wij zetten,
ben jij nog altijd daar.

Ernst (27-5-1938 / 8-3-2026)
Trifthütte – Innertkirchen
Altendorf/Galgenen – Zurichsee

 

 

 

 

 

Het meer dat glimlacht

Meer

Het meer dat glimlacht.

Ik zal niet zeggen dat ik een hekel heb aan zwemmen.

Nee, dat heb ik nog nooit gezegd.

Maar ik heb ook nooit gezegd dat ik het leuk vind.

Vroeger, toen ik natuurlijk kleiner was en jonger, moesten we verplicht op zwemles. Iedere Nederlander moet zijn zwemdiploma’s halen omdat er water is, veel water in dat lage landje. De Watervrienden heette de vereniging waar ik les kreeg. Hoe ze bij die naam zijn gekomen is me nog altijd een raadsel. Ik ben geen vriend van het water en zal dat ook nooit worden.

Ik was wel een vriend van het voetballen en stond als 5 jarige al te popelen om de bal een trap te geven .

Maar zwemmen in een chloorbad, in een koud bassin vol chemisch water, dat trok me zeker niet.

En toch liepen mijn vriend en ik iedere zaterdag van het voetbalveld, met benen vol modder en schaafplekken, naar de ijzeren vrouw, een meer dicht bij de binnenstad van ‘s-Hertogenbosch, waar het Brabantbad aan grenste.

Bij het betreden, nee zelfs al voor je het gebouw instapte rook je de chloorlucht en hoorde je binnen het gegil, geschreeuw van kinderen en de scherpe fluitjes van de badmeesters.

“Eerst douchen”, schreeuwde badmeester van den Broek. De man liep op slippers en in korte broek van het bad naar de kleedkamers en vica versa.

Douchen moesten we en we mochten niet via het heerlijke warme pierenbadje naar het koude grote bad op de bovenverdieping. Eerlijk gezegd was het warme water van het badje nog warmer op de terugweg. En dan lukte het soms om erin te plonzen.

Nee, vrolijk ben ik nooit geworden van het zwemmen.

Maar vandaag is het 36 graden en het zweet loopt van mijn voorhoofd.

Voor me lonkt een groot meer met heerlijk verkoelend water, geen chloorlucht, geen gillende kinderen.

Ja, vandaag glimlacht het water naar me.

De onthaastwesp

Wesp

De warmte van de overdag brandende zon zit aan de andere kant van het huis. Hier op ons nieuwe houten terras aan de oostzijde is er schaduw en een klein zuchtje wind. Een heerlijke plek om ’s avonds te eten, wat te drinken, te praten en stil te zijn.

Er staat een hartige taart op tafel met stukjes paprika, courgette en spekjes erin. Overheerlijk, maar ook net iets teveel voor ons beide. Het overgebleven stukje neem ik morgen wel mee naar het werk, zegt ze. Groot gelijk, dat is lekker voor tussen de middag.

Ondertussen zit een wesp haar best te doen om een klein stukje spek los te knippen uit het puntje taart. We besluiten het dessert uit de koelkast op te halen, zodra de wesp klaar is, dan kunnen we gelijk het hapje voor morgen terug naar de keuken brengen. Het is namelijk nogal een stukje lopen van de oostzijde naar de westzijde van ons huis.

Gefascineerd zitten we te kijken hoe de wesp haar rug kromt, haast met haar hoofd geheel in de taart verdwijnt, hoe ze ondertussen ook andere wespen verjaagd en weer stug doorwerkt.

We hebben zin in een toetje, maar ja, de wesp is nog niet klaar. Ze trekt nu heel hard aan haar onweerstaanbaar lekkere stukje spek, ze duikt weer met haar kop in de taart, knipt, bijt, trekt.

En ineens heeft ze het te pakken, tussen voorpoten en bek. Ze probeert op te stijgen, maar beseft dat het een aardig gewicht is. Ze beweegt omhoog en naar beneden en weer omhoog, als of ze even een blijde dans uitvoert, ze hervindt de stabiele kracht in haar vleugels en verdwijnt de tuin in.

En al die tijd, toch zeker een kwartier, zaten wij in tweestrijd, gaan we het dessert al halen of niet. Het was een mooie manier om te onthaasten, we zaten op het einde beide rustig achterover in onze stoel het schouwspel te bekijken.

Dus als je last hebt van stress, als je last hebt van haast, je mag altijd een onthaastwesp van ons lenen, we hebben er genoeg.

 

 

 

 

 

 

 

Bevrijding

Pioenroos

Bevrijding

Iedere ontmoeting is even stilstaan.
En luisteren naar wat een ander je te vertellen heeft.
De wereld moet even niet.
De ander mag.
Soms zijn er woorden, soms een lach of een traan.

Bij elke ontmoeting mag je even fluisteren:
‘Daar zit wel wat in.’

Bij elke ontmoeting mag je het wonder van bevrijding voelen:
‘Daar zit wel wat in.’

En zo kan er een schil van je afvallen.
En is er verandering.
In jezelf.

Leven als een god in Frankrijk

Activiteiten in Frankrijk

“Nou, jij leeft ook als een god in Frankrijk!”
Hoe vaak hoor ik dat mensen tegen me zeggen.
En misschien hebben ze wel gelijk.
Ik hoef niet meer te werken dus kan aan alle leuke activiteiten in Frankrijk meedoen, wandelen, feesten, samen aan een praalwagen bouwen.
De reden dat we drie jaar geleden in Frankrijk zijn gaan wonen, was niet vanwege mijn platvoeten, maar vanwege de gevolgen van een herseninfarct.
Onze moeders, de kinderen en kleinkinderen, familie en veel vrienden wonen nu op grote afstand en de directe zorg hebben we aan anderen moeten overlaten en daar zijn we ze zeer dankbaar voor. Ondertussen zorgen we hier (met de energie die we hebben) voor de mensen in onze omgeving.
Ik moet 12 uur op een dag slapen, moet rusten tussen activiteiten door, kan hoegenaamd geen muziek verdragen, moet oordopjes in, moet mijn dag en week goed plannen. En zelfs als ik dat allemaal goed uitvoer val ik af en toe terug in een diepe dip en kan niets meer verdragen.
Nee, ik ben niet zielig en weet heel goed dat dit mijn leven is, jaren van therapie hebben me doen inzien dat dit het beste voor me werkt.
Op facebook en andere social media staan de leuke dingen die we doen en heel af en toe vertel ik er hoe mijn leven er echt uit ziet.
De vrienden en familie die bij ons zijn langsgekomen in Frankrijk herkennen hetgeen ik beschrijf en die weten ook hoe goed de rust en stilte van dit land voor me zijn.
Ik weet niet of de uitdrukking “leven als een god in Frankrijk” goed bij me past. Ik vind de uitdrukking van Hendrik Groen beter bij me passen “Pogingen iets van het leven te maken”, want wil ik fijn leven en daarom zal ik me altijd aanpassen aan hetgeen er gebeurt.

Bakoven in Gacôgne

Bakoven

We hoeven niet lang te rijden, het zal 6 km zijn, oftewel 10 minuten over de slingerweggetjes in de Morvan.
En toch ruik ik de warme pizza’s en het pasgebakken brood al.

We hebben de wagen volgeladen met gerezen deeg, koffie en thee, een paar flessen wijn, houtblokken en doosjes vol met lekkernijen voor op de pizza’s.

Eens in de zoveel tijd wordt in Gâcogne namelijk de oude houtoven opgestookt.
Dan komen mensen bij elkaar om brood en pizza’s te bakken en natuurlijk te kletsen, te eten en te drinken.

Er is geen geur lekkerder dan die van versgebakken pizza met tomatensaus, salami, knoflook, kaas.

En ik ruik de warme pizza’s al, vreemd want het gerezen deeg is nog geen pizza geworden en er is ook nog geen vers brood.
Ons brein, in ieder geval de mijne, kan geuren ruiken van dingen die er niet zijn.
En ook geuren van dingen die er wel zijn, maar ja dat kunnen de meeste mensen wel.

Het is een neurologisch complot van mijn eigen zintuigen.
En dat kan heel goed zo zijn, want we worden tegenwoordig doodgegooid met complottheorieën, dus deze kan er ook nog wel bij.
Ik wist alleen niet dat ze ook in mijn hoofd kunnen plaatsvinden, gevoed door mijn reukpapillen.

Ik herken die theorieën wel in de maatschappij, want ineens staan de binnen – en buitenlandse autoriteiten ter discussie, zoals politiek, bedrijven, wetenschap.
De nieuwe denkers denken dat de aarde plat is en dat 5G de eigenlijke oorzaak is van de coronapandemie.
Kennis wordt als onbetrouwbaar gezien en de opkomst van ‘do-it-yourself’-wetenschap is flink gestegen.

Ondertussen zit ik er toch wel mee, dat ik de versgebakken pizza nu al ruik.
Terwijl we nog 10 minuten moeten rijden en het brood en de pizza’s nog moeten bakken.
Sowieso is wachten niet echt een sterke kant van me.

Mijn neurologisch complot is meer een reukstoornis, een fantosmie.
Maar ik zal daar zelf maar eens onderzoek naar gaan doen, want deze informatie kan ook zomaar onbetrouwbaar zijn.
Het kan namelijk ook zijn dat ik gewoon een groot imaginair inlevingsvermogen heb.
En dat lijkt me het meest waarschijnlijk.

Dus rustig nu. Geduld en vertrouwen.

Op naar de gezelligheid en straks ruiken, drinken en eten.