Categorie archieven: Sterven

De dood en het leven

De dood en het leven.

Er was eens een man die Nathan heette en een vrouw die Anna heette. Ze woonden aan de rand van een klein dorp, in een huis waar de wind altijd zacht langs  de ramen streek alsof hij iets wilde vertellen.

Nathan was ziek. Niet een beetje ziek, niet een ziekte die over zou gaan met rust of medicijnen, maar een ziekte waarvan de artsen hadden gezegd: “Wij kunnen niets meer doen.”

Sindsdien was de stilte in huis anders geworden. Niet leeg, niet koud, maar zwaar. Alsof ieder kopje koffie, ieder geluid van een stoel, ieder ochtendlicht iets met zich meedroeg dat niet uitgesproken werd.

Anna probeerde sterk te zijn. Ze kookte soep die Nathan nauwelijks opat. Ze sloeg dekens om hem heen wanneer hij het koud kreeg. Ze glimlachte vaker dan ze voelde.

Maar ’s nachts, wanneer Nathan sliep, zat ze alleen aan de keukentafel en dacht ze: Hoe moet ik verder als hij er niet meer is? En soms dacht Nathan precies hetzelfde.

Op een avond zaten ze samen buiten. De lucht kleurde diepblauw en ergens in de verte blafte een hond. Nathan keek naar de hemel. “Weet je,” zei hij zacht, “ik ben niet alleen maar bang om dood te gaan. “ Anna keek hem aan. “Waar ben je dan bang voor?” Hij zweeg even. “Dat alles verdwijnt. Dat jij verdwijnt. Dat ik verdwijn. Alsof we nooit echt hier geweest zijn.” Anna pakte zijn hand steviger vast. “Ik weet het ook niet,” fluisterde ze.

De dagen gingen voorbij. Langzaam, soms mooi, soms ondraaglijk. En op een middag kwam Anna thuis met een oud boek uit een tweedehandswinkel. De kaft was versleten. “Waarom nam je dat mee?” vroeg Nathan glimlachend. “Omdat het uit de kast viel toen ik langsliep,” zei ze. “Alsof het gekozen wilde worden.” Hun hele leven hadden ze de kleine tekenen opgemerkt , zoals een vlinder die voorbij kwam als ze aan hun overleden ouders dachten of de zon die doorbrak op het moment dat ze zich verdrietig voelden. Nathan lachte zacht. “In dat geval moeten we het waarschijnlijk lezen.”

Die avond begonnen ze samen te lezen. Niet veel. Een paar bladzijden tegelijk. Er stonden vreemde dingen in. Dat liefde werkelijk is. Dat angst geleerd wordt. Dat de dood misschien niet het einde is, maar slechts een idee waar mensen in geloven. Soms vonden ze het ingewikkeld. Soms werden ze er zelfs boos van. Maar af en toe stond er een zin die hen stil maakte. Een zin die niet alleen gelezen werd, maar gevoeld.

Op een avond las Anna hardop: “Wat werkelijk is, kan niet verloren gaan.” Nathan sloot zijn ogen. “Wat denk jij dat dat betekent?” vroeg hij. Anna dacht lang na. “Misschien,” zei ze voorzichtig, “dat liefde niet ophoudt wanneer een lichaam ophoudt.” De wind streek langs het huis. Nathan keek naar haar alsof hij haar voor het eerst zag. “Dan zou dood eigenlijk niet sterker zijn dan liefde.” “Nee,” zei Anna. “Misschien helemaal niet.”

Vanaf dat moment veranderde er iets. Niet de ziekte. Nathan bleef zwakker worden. Soms kon hij nauwelijks lopen. Soms was de pijn zo hevig dat spreken moeite kostte. Maar de angst begon langzaam open te breken. Ze praatten meer. Niet alleen over ziekenhuizen en medicijnen, maar over vroeger. Over de dag dat ze elkaar ontmoetten. Over hun eerste vakantie aan zee. Over hoe Nathan altijd zong wanneer hij nerveus was. Over hoe Anna nooit een plant in leven kon houden. Ze lachten steeds vaker. En soms gebeurde er iets vreemds. Dan vergaten ze heel even dat Nathan ziek was. Alsof er onder alle zorgen een andere werkelijkheid lag. Rustiger, groter.

Op een nacht kon Nathan niet slapen. Anna vond hem beneden op de bank, kijkend naar het donker achter het raam. “Doet het pijn?” vroeg ze. “Een beetje.” Ze ging naast hem zitten. Na een tijdje zei Nathan: “Denk je dat mensen echt verdwijnen?” Anna antwoordde niet meteen. “Ik denk,” zei ze uiteindelijk, “dat wij altijd hebben geleerd dat we alleen een lichaam zijn.” Nathan knikte langzaam. “En als dat niet zo is?” “Dan,” zei ze zacht, “zijn we misschien iets dat niet dood kan.”

Nathan keek weer naar buiten. “Ik heb mijn hele leven gedacht dat liefde kwetsbaar was.” Anna legde haar hoofd tegen zijn schouder. “Misschien is liefde juist het enige wat nooit breekt.” Er viel een lange stilte. Maar het was geen verdrietige stilte. Eerder een stilte waarin iets begon te genezen wat dieper lag dan het lichaam.

De weken daarna werd Nathan zichtbaar zwakker. De artsen kwamen vaker. De buren spraken zachter wanneer ze hem zagen. Maar in huis gebeurde iets onverwachts. Er kwam vrede. Niet altijd. Soms waren er tranen. Soms paniek. Soms dagen waarop Anna boos was op het leven zelf. Maar telkens opnieuw vonden ze elkaar terug. Niet in oplossingen, maar in aanwezigheid.

Op een middag vroeg Nathan: “Ben je boos dat ik je achterlaat?” Anna begon meteen te huilen. “Je laat me niet achter,” zei ze uiteindelijk. Hij keek haar verbaasd aan. “Natuurlijk wel.” Ze schudde haar hoofd. “Ik denk dat liefde niet kan verdwijnen. Dus hoe zou jij kunnen verdwijnen?” Nathan zei niets meer. Maar er liep een traan over zijn wang.

De laatste avond samen was stil. Het regende zacht. Anna zat naast het bed terwijl Nathan ademhaalde alsof iedere ademtocht van verder weg kwam. Hij opende zijn ogen nog één keer. “Ben je bang?” fluisterde Anna. Hij dacht lang na. “Niet zoals eerst.” “Waarom niet?” Een zwakke glimlach verscheen op zijn gezicht. “Omdat ik denk dat we elkaar nergens kunnen verliezen.” Anna pakte zijn hand en hield die vast. Heel lang. Alsof tijd even niet meer bestond.

En ergens tussen de regen, de stilte en het zachte licht van de schemering voelde zij iets  wat ze later nooit helemaal onder woorden kon brengen. Niet dat Nathan verdween. Maar eerder dat alle grenzen tussen leven en dood heel even doorzichtig werden.

Alsof liefde fluisterde: Ik ben hier nog steeds. Nathan stierf die nacht. Maar Anna vertelde later aan mensen dat het vreemd genoeg niet voelde alsof hij weg was. Ze voelde verdriet. Diep verdriet. Ze miste zijn stem. Zijn stappen in huis. Zijn hand op de hare. Maar onder dat verdriet lag iets anders. Iets zachts. Een stille zekerheid dat liefde niet afhankelijk is van tijd, van lichamen of van afscheid.

Maanden later wandelde Anna alleen langs het veld achter hun huis. De wind bewoog door het hoge gras. Ze sloot haar ogen. En voor het eerst sinds lange tijd glimlachte ze zonder moeite. Niet omdat alles voorbij was. Maar omdat ze begreep dat liefde nooit bedoeld was om voorbij te gaan. En terwijl de avondzon langzaam over het landschap viel, voelde het leven plotseling  niet kort of breekbaar. Maar oneindig.

Alsof niets werkelijks ooit verloren kan gaan.

 

Ware Liefde

Zon, tuin

De Verbinding die Liefde heet,
Vrede, Vrijheid en Eenheid.
Die was, is en altijd zal zijn.

In stilte ga je nu verder,
niet weg van ons, maar uit ons zicht.
Want de weg die jij ons leerde
blijft helder in het licht.

Stap voor stap, op eigen adem,
zoals jij de bergen nam,
zonder haast, zonder moeten,
in vertrouwen, kalm en warm.

Je zorg lag als een zachte hand
op mens en dier en steen.
In alles wat je aanraakte
klonk de Liefde er stil doorheen.

Geen top was ooit het doel voor jou,
maar hoe je ernaartoe bewoog.
En in die stille wijsheid
leef jij in ons door.

Wij laten je niet los,
want los is nooit echt waar:
in elke rustige stap die wij zetten,
ben jij nog altijd daar.

Ernst (27-5-1938 / 8-3-2026)
Trifthütte – Innertkirchen
Altendorf/Galgenen – Zurichsee

 

 

 

 

 

Dank je wel Françoise Hardy

Françoise Hardy

De man las zijn tijdschrift en likte aan zijn vinger iedere keer dat hij een bladzijde omsloeg. Daarbij keek hij over zijn bril, die op het puntje van zijn neus balanceerde, steeds even de wereld in. Ik doe dat zelf ook, even de wereld inkijken als ik verdiept ben in een onderwerp. Een manier om te ontspannen en met een andere kijk weer verder te gaan aan het verhaal.

Bij één van de ombladeringen viel zijn oog op mij. Hij zat aan de ene kant van de deur en ik aan de andere op het terras van de dorpsherberg. Het was nog niet echt druk aan de tafeltjes, het was nog vroeg op de avond, maar de waard liep toch regelmatig met lege of volle glazen tussen ons door of vulde de mijne of die van hem.

‘Ah, jou moest ik net hebben,’ zei de man, die zijn bril op de rand van zijn tafel legde. Een poot bungelde naar beneden en het kon niet lang duren voor het kijkgereedschap de weg naar het grind vond. Alles wat balanceert kan twee kanten opgaan.

‘Ja, jou,’ sprak de man en priemde met zijn vinger mijn kant op, ‘heb je het gehoord van Françoise Hardy? Ze is gestorven, terwijl ik dacht dat ze in remissie was.’

Nu moest ik eerlijk bekennen dat ik niet wist dat ze ziek was, wel dat ze al een aardige leeftijd had. Op de middelbare school leerden we Franse chansons te vertalen. Dat waren mooie lessen, want de chansons zelf werden ook afgespeeld. De leraar frans, onder andere gekleed in een zelfgebreid vest en zijn voeten gestoken in open sandalen met geitewollen sokken, had dan zijn platenspeler bij zich en legde een singeltje op de draaischijf. Voor mij een moment om weg te dromen en even niet bezig te zijn met de grammatica van deze toch moeilijke taal. Zo draaide hij, naast nummers van Julien Clerc en Michel Sardou, ook haar hit ‘Tous les garçons et les filles’. Deze hit was uit 1962 en wij bestudeerden haar tekst in 1978 en zelfs nu heb ik haar nummer nog in mijn spotify playlist staan.

‘Goh,’ mompelde ik een beetje uit het lood geslagen, ‘dat wist ik niet.’

De waard vulde mijn glas nog eens aan, tot het randje. Waarbij het, hoe langer de avond duurde, steeds lastiger werd om het vocht in het glaasje te houden als ik het naar mijn mond bracht. Maar meestal ging het goed. Net als bij de bril, die ondertussen alweer op zijn neuspuntje balanceerde. De man had zijn vingers bevochtigd en een bladzijde van zijn tijdschrift omgeslagen. Terwijl ik nog eens naar mijn volle glaasje keek.

‘Op jou Françoise,’ lispelde ik, ‘dank je wel voor jouw muziek en dat je anders was dan alle anderen uit jouw tijd. Voordat ik vanavond mijn bed in kruip, draai ik nog 1x jouw lied over een jonge vrouw die de liefde nooit gekend heeft en haar jaloezie richting de koppels om haar heen. Santé’

Jonathan

Het was nog vroeg, langzaam sloop het schip over de rustige zee. We waren halverwege, nog 2 uur te gaan. In de patrijspoort aan bakboord zag ik plots 2 meeuwen verschijnen. Ongeveer 300 meter van het schip, afstanden zijn moeilijk te schatten. Ze gaan iets sneller. Heel langzaam zie ik ze achter elkaar heel laag over het water scheren. Onderweg, waarheen? De voorste is het sterkst. Plots schiet hij omhoog, duikt achter de ander naar beneden en sluit weer aan. Van korte duur, per slot is hij de sterkste en neemt over door er omheen te vliegen. Soms worden ze opgegeten door de golven en een tel later zie ik ze weer. We varen te langzaam. De meeuwen halen ons in en verdwijnen.

Oma is overleden. In Kijkduin is de begrafenis. Natuurlijk zijn we te vroeg bij de aula. Buiten, voor de deur wacht een geweldig grote zeemeeuw. Met een soevereine blik kijkt hij ons aan. Als we dichterbij komen, stijgt hij sierlijk op, draait een ronde en verdwijnt over de bomen. In de dienst vertelt de voorganger het verhaal van Jonathan, de zeemeeuw, die zijn meeuwenleven te beperkt vindt. Jonathan Livingston streeft naar iets hogers – ook letterlijk, door zo hoog en zo elegant en zo snel mogelijk te vliegen.
Oma had dit uitgekozen.

Daar midden op zee zie ik ze ineens weer. Ze hebben 2 andere meeuwen ontmoet. Ik zie ze tegen elkaar op vliegen, om elkaar heen draaien, hoger en hoger, tot ze rechts uit de poort verdwijnen.