Ik word een vrije speelse aap

busreis

Ben ik een product van de autoritaire samenleving?
Soms denk ik dat wel. Er zijn momenten, dat ik me laat verleiden om opgepropt in een vliegtuig te zitten om met heel veel andere mensen gezellig vakantie te gaan vieren op een andere plek op onze aardkloot. Als een lemming, volgegeten met papavers, loop ik achter de anderen aan naar pretparken en ‘all inclusive’ vakantieoorden. In navolging van anderen kijk ik wat goedkoop is en waar er wat te halen valt. Ik leg dan mijn volle aandacht op imitatie.

Helemaal vreemd is dit niet, het is namelijk ook wel erg makkelijk.
In onze samenleving is in 1901 de leerplichtwet ingevoerd. Dat betekent dat ieder kind van zes tot twaalf jaar verplicht is tot het volgen van onderwijs. Op mijn lagere school, voor diegenen die na 1985 geboren zijn, de basisschool, was er strikte controle op alles wat je deed en moest doen, middels het geven van instructies. Er was een duidelijk doel en hoe je er moest komen werd je verteld, je hoefde alleen maar uit te voeren en mee te doen. Alles lag vast in regels, je hoefde zelf niet na te denken. Wit was wit en zwart was zwart.

Waarschijnlijk heeft daarom de goedkope busreis met verkoopdemonstratie een enorme aantrekkingskracht op me. Gewoon het idee om met een uitgestreken gezicht, samen met andere busreizigers, te kijken naar de man aan de microfoon. Als een geïsoleerde witte boon in tomatensaus achter het glas van een Hak-potje mezelf laten meevoeren naar restaurants waar het eerste kopje koffie gratis is, waar de maaltijd bestaat uit een kopje lauwe, flauwe soep en je voor de rest van het eten en drinken de hoofdprijs moet betalen.
Ik begrijp ook wel dat zo’n goedkope busreis inclusief verkoopdemonstratie nooit die impuls aan mijn leven zal geven zodat mijn gedrag verandert van imitatie in authentiek. Maar waarom zou ik daar ook naar zoeken, ik ben opgegroeid in een autoritaire samenleving en pas me aan.

Net als ieder kind heb ik spelend nieuwe dingen ontdekt, handigheden die een verrijking hadden kunnen betekenen voor de gemeenschap. Ware het niet dat de samenleving in mijn kinderjaren gebaseerd was op autoriteit. Wat de leraren doen is immers goed en niet voor verbetering vatbaar. En zo kwam in mijn kinderspel de volle nadruk te liggen op imitatie. Ik werd een tweede leerkracht die de wereld vertellen zou, hoe er geleefd moest worden.

De laatste jaren komen er steeds weer prikkels binnen die me verwarren.
Als ik een vliegtuig in stap en de deuren sluiten zich achter me, dan voel ik dat ik geen kant meer op kan, alleen maar kan gaan zitten en het lot ondergaan. Als de airconditioning aan wordt gezet en het geluid hevig wordt in de ruimte. Op zich een voordeel omdat ik daardoor de geluiden van de medepassagiers minder hoor en hun geuren, evenals die van mij, zo snel mogelijk worden afgevoerd. Maar de rust, de vrijheid, die ik daarna ervaar als ik, op een primitief vliegveld, de trap afdaal, naar die prikkel ben ik al mijn hele leven op zoek.
Steeds sterker wordt de gedachte dat ik wil ontsnappen aan de gevestigde macht, het meelopen in de maat van de autoritaire wereld, de macht van het verkoopapparaat, de macht die mijn vrije wil inperkt en mijn spelen naar imitatie drijft en niet naar de vrijheid om te experimenteren en te variëren op wat ik anderen zie doen.

Ik wil terug naar de tijd dat ik nog kon spelen en net als bij de hogere apen mijn fantasie geprikkeld wordt. Chimpansees die genoeg te eten hebben gehad en toch weten dat er nog eten verstopt ligt, die trekken een kast vol trucks open om ook dat eten te pakken te krijgen. Niet omdat het nodig is, ze hebben namelijk al geen honger meer, maar omdat ze kunnen spelen zonder iets te moeten bereiken.

Laatst liep ik huppelend, terwijl het toch goed vijftig jaar geleden is dat ik op de kleuterschool zat, terug vanuit de koffiecorner op het werk met een groep collega’s huppelend achter me aan en ik voelde me vrij. Die huppel heeft nog geen verandering in de wereld veroorzaakt, maar heeft wel een eerste aanzet gegeven tot meer authenticiteit. Mijn ogen zijn geopend voor initiatieven van mensen die anders durven te bewegen, mensen die de jeugd aanzetten tot vrijer denken en handelen.

In een vrije samenleving zijn de kinderen in hun spel vrijer om te experimenteren en te variëren op wat zij grote mensen zien doen. Daardoor zijn zij medeveroorzakers van veranderingen in de samenleving.
Welke verandering ontstaat er door jouw spelen?

Een zebra onder de rok

Zebrabenen

Al vroeg leerde ik dat er grenzen zijn.
Mijn moeder stond met haar vriendinnen te praten in de kamer. Een langgerekte jaren zestig kamer, met een voor – en achterkamer in één lange smalle ruimte, een bankstel met twee fauteuils en een salontafel met een bakje sigaren en sigaretten.
De rokken van de vriendinnen reikten bijna tot aan de enkels, waardoor ik, als een trapezium artiest, aan de bank moest hangen om met mijn hoofd bijna op de grond onder de rokken te kunnen kijken.
Onder de rokken kijken is zo’n demarcatie. Tot een jaar of vier wordt het voorval nog giechelend afgedaan. Het kind wordt rechtop gezet en de rok weer recht gestreken. De grens ligt bij schoenmaat 29. Ik had net die schoen tegen de muur gezet en mijn rechter knieholte houvast gegeven aan de rugleuning, toen ik werd opgetild aan mijn oren en met een strenge blik de kamer uit werd gestuurd.
En toch was ik toen al benieuwd wat er onder die rokken te zien was.

De afgelopen maand zijn er weer veel jonge mensen afgestudeerd. Ik heb een eindpresentatie van de opleiding Mode – en vakschool gezien. Als die vertoning een voorteken is voor de mode die deze zomer gedragen gaat worden, heb ik er een hard hoofd in. Zal ik ooit te zien krijgen wat er onder die rokken zit? In het gedachtengoed van Jef Montes lopen de modellen in moderne versies van begin jaren dertig met lange broeken en dito jurken over de catwalk. De jonge ontwerpsters lopen daarentegen in rokken tot net over de knie en ik besef dat er nog hoop is. Net zo goed als er hoop is voor deze afgestudeerden op een baan. De werkeloosheid van de jongeren in Nederland was het afgelopen half jaar licht toegenomen en kwam net onder de 12 procent uit. In Italië ligt dat getal veel hoger.

Een paar weken geleden zat ik op een bankje op de muur van Lucca en keek uit over het Toscaanse land. De zon brandde op mijn naakte armen en benen die, zoals mijn moeder zo vaak tegen me zegt, ik goed ingesmeerd had. Naast me zat een bejaarde man in vol kostuum en een wandelstok. Vanuit de schaduw van zijn hoofddeksel hoorde ik hem in het Engels met mij praten. Hij vertelde me dat hij een ‘professore dottorato’ was, die heel zijn leven les had gegeven aan de jeugd. De jeugd die tegenwoordig te lui was om te gaan werken. Hij vertelde me dat de jeugdwerkeloosheid enorm hoog is in Italië, boven de 40 procent. En dan moet je bedenken dat mensen die maar één uur werk in de week hebben, niet bij deze groep worden meegeteld. Dat vertelde hij me niet, maar was parate kennis van mezelf.
‘Nu wil Minister-president Matteo Renzi ook nog belastingverlaging voor de lage – en middeninkomens instellen, die gefinancierd moet worden door besparingen in het staatsbestuur, afschaffen van dienstauto´s en bevriezen van de topsalarissen,’ zei die spraakzame man naast me, ‘maar van mijn geld blijft hij af.’
De oude man stond moeizaam op, gaf me een hand en schuifelde rustig de helling af richting zijn chauffeur, die de portier van zijn auto al openhield.

Ik keek weer over de muur naar al die werkloze jongeren die langs wandelden. Ik zag de armoede van hun gescheurde spijkerbroeken. Dát was wat me verbaasde. Niet het feit dat er zoveel jeugd op een doordeweekse dag over de muur loopt, maar hun broeken met de scheuren. Net of de jeans met zeer scherpe stenen was gewassen en de stof over de breedte op meerdere plaatsen opengescheurd had. De zon had door de open gaten de mogelijkheid om het vel van hun nog jonge benen aan te raken. De huidlaag die ondertussen net zo bruin moest zijn geworden als mijn armen en benen. En de huidlaag die bedekt was door de kledij net zo wit, als de huid onder mijn borstharen.
Ik heb het niet durven vragen, maar had graag de strepen op hun benen gezien.

Kleding uit Italië staat nog steeds hoog aangeschreven in de wereld, van hun tunieken in het oude Rome, tot de innovatieve – en prachtige couture kleding van dé modeschool van Rome Accademia di Costume e di Moda. Ik weet niet zeker of de gescheurde broeken die ik in Lucca heb gezien een Italiaanse variatie zijn op de stonewashed Amerikaanse jeans, maar ik weet dat ik ze ook opvallend vaak in Nederland zie.

De zomer zal zich vast nog laten zien, volgens het boek van Dimitri Verhulst laat de zomer zich echt niet tegenhouden. Als de zomer daar is, zal ik mijn broek aantrekken met pijpen tot net boven de knie – want daar ligt bij mij de grens – en op zoek gaan naar de zebrabenen van onze werkende jeugd.

Pathos Puccini

Pucinni

We slenteren door de straten van Lucca. Voorop loopt Elena enthousiast te vertellen over haar stad, in vloeiend Italiaans en dus op een rap tempo pratend. De enige woorden die ik versta zijn: ‘e alore’ en ‘ecco’. Verder kijk ik naar haar handen en lippen en verdrink in de zoete klanken. Naast me loopt Jörn, een Duitse cursist en hij vertaalt het Italiaans in het Engels, net zo snel als het water dat stroomt door de Via del Fosso. En dat is snel, aangezien het verleden week behoorlijk had geregend en al het water uit de bergen, via de stad een weg naar de zee zoekt.

Op de Piazza Citadella komt de groep tot stilstand en vertelt Elena, de Italiaanse lerares, over alle beroemdheden die in Lucca zijn geboren. Mijn persoonlijke translateur vertelt over Luigi Bocherrini, een beroemde componist, cellist en contrabassist, terwijl ik probeer te tellen hoe vaak haar lippen op en neer gaan in één minuut. Daarna komt Giacomo Puccini aan de beurt en dat is logisch aangezien we voor het geboortehuis van deze componist staan. Voor alle niet muziekfanaten kan ik nog mededelen dat ook Mario Cipollini de wielrenner, Super Mario, De schitterende, Cipo, in deze stad is geboren. De man die de Giro della Provincia di Lucca (2005) heeft gewonnen, maar ook, ik noem een dwarsstraat, de Profronde van Oostvoorde (1995).
We staan dus voor het geboortehuis van Puccini en als we het huis binnentreden en naar een film van hem kijken, dan zie ik een starre, arrogante man die de mensen om hem heen het werk laat doen. Dat kan ook komen doordat de beelden zijn opgenomen in het begin van 1900 in zwart/wit en slapstick formaat. Volgens de verhalen is Giacomo een slechte en ongedisciplineerde leerling geweest, die alleen een opera schreef als hij slecht bij kas was. Ach, wie weet mag ik hem toch wel.

Puccini schreef La bohème naar aanleiding van de roman Scènes de la vie de bohème uit 1849 van Henri Murger, over de levens van jonge, arme Parijse kunstenaars. Puccini schreef gevoelige passages met als beroemd hoogtepunt de aria ‘Che gelida manina’, het moment dat de liefde tussen de twee hoofdpersonen Rodolfo en Mimì ontluikt. In 1897 werd deze opera voor het eerst in Nederland uitgevoerd in Den Haag.
Dinsdag 28 juni 2016 is hij te zien en te beluisteren, in de open lucht, op de Parade in ‘s-Hertogenbosch, aanvang 20.30 uur.

Eigenaardige contactadvertentie

contactadvertentie

‘Nee meneer Chacarut. Ik zeg het nogmaals: NEE, niet doen!’
Terwijl Maria dit uitroept door de telefoon loopt haar gezicht rood aan van de opwinding.
‘Leg de hoorn toch neer,’ zegt Theo, ‘het maakt je helemaal van streek.’
‘Nee, u moet nu goed naar me luisteren, dit mag u echt niet doen,’ gaat Maria verder, ‘en ik ga nu ophangen hoor.’
Met een theatrale beweging wil ze de hoorn op de haak leggen en blijft dan naar het mobiele in haar hand kijken.
‘Je moet even op het rode knopje drukken, Maria, dan verbreekt de verbinding.’
Maria drukt op het kleine zwarte scherm en legt het toestel op het kastje naast de deur.
Ze kan soms zo goed begrijpen dat geen mens iets te maken wil hebben met meneer Chacarut. Het is een intelligente en charmante man, maar bij tijd en wijle ook onuitstaanbaar en gewoon niet te begrijpen.
‘Wat was er nu weer aan de hand?’
Haar man staat op vanuit zijn luie stoel en slaat een arm om haar heen.
‘Kom even rustig zitten, zal ik thee voor je inschenken?’

Maria en Theo wonen in een arbeidershuisje in een buitenwijk van de stad. Veel ruimte hebben ze met zijn tweeën niet nodig. Jaren geleden hebben ze wel een kinderen willen krijgen, maar dat is helaas niet gelukt.
‘Ik begrijp ‘m soms echt niet, Theo,’ snikt Maria, ‘Iris belde me net en vertelde wat hij van plan is. Hij doet haar zoveel verdriet.’
‘Herman doet de mensen heel zijn leven al verdriet.’
‘Meneer Chacarut, Theo. Meneer Chacarut.’

‘Voor mij is hij nog gewoon Herman. Weet je nog dat we met zijn allen op het eindfeest van de middelbare school gezellig zaten te drinken en te pokeren. Herman had het mooiste meisje van de school veroverd. Natuurlijk Maria, jij bent voor mij mijn mooiste meisje, maar Anemoon was voor iedereen een maatje te mooi, behalve voor Herman.’
‘He, zwakkelingen! Kom op, we spelen nog een potje,’ had Herman uitdagend met een dikke sigaar in zijn mond geroepen.
‘Herman, je hebt tot nu toe alles verloren, je hebt helemaal niets meer om mee te spelen. Laten we stoppen en plezier maken rondom het kampvuur,’ hadden de andere scholieren gezegd.
‘Nou, van je vrienden moet je het maar hebben,’ riep Herman uit, ‘ik zet Anemoon in! Als ik verlies mag de winnaar haar een avond hebben.’
Het was muisstil geworden, alle ogen waren op Herman gericht. Had hij dat werkelijk voorgesteld?
‘Oké, ik speel met jou,’ zei Peter.
En hij verloor. Hij had Anemoon ingezet in een spel en verloren.
‘Geen probleem, neem haar maar, zei hij, ‘ik heb verloren en dit hoort er dan bij.’

‘Wat een ongelofelijk arrogante kwast is die Herman toch.’
‘Ja, maar toch heeft hij iets in zich. Want Anemoon is wel bij hem gebleven en met hem getrouwd. En hij is ook goed voor ons geweest, vergeet dat niet, Theo.’

Heel hun werkbare leven werken Theo en Maria al voor meneer en mevrouw Chacarut. Theo houdt het landgoed rond de villa bij en Maria de binnenkant. Meneer Chacarut is een echte businessman. Zijn motto luidt: “Met enkel vrienden verdien ik geen miljoenen.” Had hij maar enkele vrienden gehad, maar zelfs dat is hem in al die jaren niet gelukt.
Het grote vrijstaande huis staat in een bos, ongeveer een kilometer buiten het dorp. Het huis ziet er niet onaardig uit, vrolijk mag je zelfs zeggen. Dat kan je Herman niet nageven, hij ziet er zelf en al zijn spullen picobello uit. Overal zijn bloemen en kleuren. Zelfs dit najaar staan de geraniums nog fier overeind en trekken de aandacht.

Ondertussen trilt het tafeltje bij de deur.
‘Het is jouw mobieltje, Maria.’
‘Met Maria. O, hoi Iris.’
‘…….’
‘Nee, ik heb hem wel gesproken, maar volgens mij luisterde hij niet.’
‘……’
‘Natuurlijk mag je langskomen, je bent altijd welkom. Tot zo!’
Maria blijft even voor zich uit staren met het toestel in haar hand.
‘Fijn dat Iris even langskomt, die arme meid heeft het ook niet makkelijk.’
Ze schonk Theo en zichzelf nog een kop thee in.
‘Ik moet steeds denken aan die keer dat we met zijn zessen naar de Ikea zijn geweest.’

‘Eerst moeten die kinderen weg. Breng ze naar de ballenbak en wel voor de langst mogelijke periode,’ zei Herman, ‘het is al erg zat dat we op zaterdagochtend deze drukte in moeten.’
Wij brachten Jacques en Iris naar de ballenbak en mochten daarna achter Herman en Anemoon aanlopen om op te schrijven wat ze wilden hebben en dat later uit de stellingen op te zoeken.
In elke stand waar we kwamen was Herman bezig geweest de confrontatie te zoeken met medeklanten en personeel van het woonwarenhuis.
‘Wat is dit voor zaak! Kunnen jullie dan helemaal niets leveren wat ik echt wil hebben? Ik ga voortaan wel naar mijn vrienden, die hebben een echte meubelzaak. En jullie volksmensen, ga alsjeblieft eens aan de kant met die jengelende kinderen!’
Op gepaste afstand volgden wij het tafereel samen met Anemoon, die met een rood hoofd steeds een andere kant op keek.

‘Laatste oproep aan de ouders van de kinderen van Jacques en Iris. U wordt verzocht de kinderen op te halen bij de ballenbak,’ klonk er door de luidsprekers van het bedrijf.
‘Herman, we moeten de kinderen nu echt gaan ophalen,’ zei Anemoon schoorvoetend.
‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen. Ik wil helemaal geen kinderen,’ en hij liep pontificaal de zaak uit, naar zijn auto en reed, zonder zich om ons en de kinderen te bekommeren, naar huis. Logisch dat Iris en Jacques na al die voorvallen uiteindelijk niets meer met hun vader te maken wilden hebben.’

‘Rustig nu maar,’ zei Maria, terwijl ze aan haar thee nipte, ‘ik begrijp hem ook niet altijd, maar ik ben enorm blij dat Iris ons regelmatig opzoekt.’

Maria zwaaide naar Iris die het paadje naar de voordeur opliep.
‘Doe jij even open,’ zei ze, terwijl ze een extra kopje uit de kast pakte.
‘Kom binnen,’ zei Theo terwijl hij Iris een dikke knuffel gaf, ‘wat een gedoe weer met je vader!’
‘Wil je thee en appeltaart?’
Maria was in de keuken al druk bezig met een kopje en de schoteltjes voor het gebak.
‘Wat heerlijk om je even te zien, alhoewel de omstandigheden weer niet prettig zijn.’
‘Nee, dat klopt,’ zei Iris terwijl ze een krant die ze al die tijd onder haar arm had op tafel legde,’ zeg dat wel, hij heeft het gewoon al gedaan!’
Vol ongeloof keken Theo en Maria haar aan.
‘Nee echt, kijk maar op pagina zes. Het staat er echt.’

Contact
Weduwnaar 76 jr i.b.v. auto en boot,
wil heel graag een leuke vrouw ontmoeten
om het leven weer wat aangenamer te maken.
Ben jij die ondernemende vrouw die met mij
weer iets van het leven wil maken, bel …..

‘Volgens mij moeten we nu echt je moeder op de hoogte brengen,’ zei Maria zacht en zette met trillende hand het bordje met warme appeltaart op tafel.

(Opdracht: Zoek een contactadvertentie uit de krant en schrijf er jouw verhaal over.)

Love Light en Fluitenkruid

Fluitenkruid

Ze kijkt me aan met een allerliefste glimlach.
‘We zijn ongeveer anderhalf bezig,’ zegt ze, terwijl ze op haar crocs naar de poort van de natuurcamping loopt.
‘Je hoef niet ver te gaan,’ en ze bukt zich om wat mos te plukken. Ze wrijft het door haar handen en ruikt eraan.
‘Het werkt hoeststillend, prikkelverzachtend,’ de kruidendeskundige kijkt een jongen aan die zich ook bij de groep heeft aangesloten.
‘Jij hebt last van je longen.’
De jongen kijkt schichtig om zich heen, net alsof iemand zijn geheim heeft ontdekt.
‘Mos is een tonicum, een opbouwer voor je longen.’
Ik blijf even staan en wrijf het mos rond in mijn hand en ruik eraan. De geur van de aarde, vochtige grond dringt mijn neus binnen. In mijn keel begint het te kriebelen en ik probeer de neiging tot hoesten te onderdrukken.

Helemaal prettig voel ik me nog niet op het Love – en Light Festival.
Ik heb op het terrein al de nodige geuren opgesnoven en naar spirituele muziek geluisterd. Een paar honderd meter weg uit een leven waarin ik me geregeld laat opjagen en teveel eisen aan mezelf stel. Hier heb ik de mogelijkheid om tot rust te komen en stevig op de grond te staan.
Op één van de lange tafels staan potjes met kruiden en wierook. Elk potje heeft een eigen tekst, elk potje heeft zijn eigen mengsel van kruiden.
Michaël staat met een vrouw te praten met zijn rug naar me toe en ik sta met mijn vriendin te praten. Ze heeft een mengsel van kruiden gekregen waarvan de geur haar niet echt aanstaat. Ik vind het wel lekker ruiken.
‘Dat is de bedoeling ook, anders werkt het niet,’ heeft de man gezegd, hij die er verstand van heeft.
En terwijl wij over de geur staan te praten draait hij zich onverwachts om en druk me een potje in mijn handen.
“Dit is voor jou,’ zegt Michaël, ‘en jij weet welke stap je moet zetten.’
Hij draait zich weer om en verdwijnt zo als in – en uitgaande engel uit mijn leven.

‘Dit is fluitenkruid,’ zegt ze, ‘het helpt je als je een opgeblazen buik hebt. Als je darmen lucht afscheiden en je last hebt van winderigheid. Maar bovenal is het kruid een schitterend plaatje in het lente landschap.’
Ik pluk een stengel en doe die in mijn zak, naast het potje, het mos en een mooie steen die ik kort tevoren heb opgeraapt.
Voordat ik mijn kleren in de was doe, ben ik minuten bezig om alle mooie dingen die ik onderweg vind uit mijn zakken te halen en nog één keer te bekijken.

‘Luister,’ zegt ze, ‘dit moet wel een plek zijn van lichte energie. De vogels roepen me.’
En ik voel het ook. Mijn hoofd raakt leeg en licht.
‘Het bos zit vol plekken met lichte – en zware energieën.’
We lopen verder en ik kijk en luister of ik de plekken ook kan ontdekken. Ik zie alleen de zon tussen de net ontloken bladeren doorschijnen, op zoek naar mij. Ik sluit even mijn ogen en draai mijn hoofd er naar toe. Als ik ze weer open is de groep al een stukje van me verwijderd . Ik versnel mijn pas en geraak bij hen op het moment dat er een groene stuik zichtbaar is. De bladeren van de struik ruizen lichtjes in een zacht briesje van de wind. Mijn aandacht wordt getrokken door het donkere gedeelte onder de struik. Dat gedeelte is heftig in beweging en ik voel mijn maag verkrampen. De zachte wind en het hevig trillen van de takken kloppen niet met elkaar. Het enige dat door me heen gaat is, dat ik weg wil van deze plek.
Marja pakt mijn arm en kijkt me rustig aan.
‘Waarschijnlijk is dit een plaats waar in het verleden iets is gebeurd waar de natuur nog van ontdaan is.’
Ik vind alles goed, als we hier maar vandaan gaan. Ik kijk nog één keer om naar het bos met zijn kruiden, planten, struiken en bomen .
Het is tijd om terug te keren naar het festivalterrein.
Een knuffel voor Marja, die me een kijkje heeft gegeven door haar ogen van een omgeving waar ik zo makkelijk doorheen loop.

De zon komt steeds lager te staan en we hebben nog één ding te doen. We gaan naar Rick.
Rick woont deze dagen in een tipi tussen klankschalen en – instrumenten.
Mijn vriendin ligt aan de ene kant in de tent en ik aan de andere kant. Langzaam sluit ik mijn ogen en laat me meenemen in de lichte – en donkere klanken van de schalen, het zingen van zijn stem. Voor even zijn alle geluiden van buiten opgenomen door de geluiden in de tipi.
Ik voel dat mijn aandacht getrokken wordt door het bos, door de hevig trillende struik. Ik zie dat er lachende mannen om de struik heen staan. Ik zie mezelf er tussen staan en huilen. De struik brandt en in het midden staat een vrouw die het uitschreeuwt van de pijn.
Langzaam verdwijnt het beeld terwijl Rick het laat regenen met zijn instrument en daar zachtjes bij zingt.
Na afloop praten we nog even met hem na. Over de trillingen die we gevoeld hebben, over het fenomeen ‘derde oog’ en over het geluid van een hemelse stem die we buiten de tipi horen binnendringen.

De stem hoort bij een vrouw in een wit gewaad. Ze staat op het hoofdpodium en trekt de mensen van het terrein naar zich toe.
Op één van de bankjes ga ik zitten en haal de stengel uit mijn jaszak. Met een zakmes snijd ik de blaadjes eraf zodat alleen de stengel overblijft met aan de onderkant een dichte knoop. Halverwege de holle fluitenkruidpijp maak ik een snede. Ik breng mijn lippen voorzichtig naar de opening van het steeltje en blaas met ontspannen lippen zodat een hoge toon mee gaat trillen met haar lied.
Voor me staat het potje met kruiden te wachten tot ik het ga verwarmen. Ik weet dat de wrede geur me niet aan zal staan. Het zal mijn lichaam onrustig maken zodat de weg vrij komt voor een transitie, een natuurlijke overgang voor bezinning, warmte en ruimte voor mezelf.

Love and light festival
Schaijk
www.loveandlightfestival.nl

Wilgefortis

Wilgefortis

Deze maandagochtend mogen wij als eersten de grote hal betreden, Marleen en ik. Er hangt een kastje om mijn nek met een digitaal schermpje en een koptelefoon. Zo luister ik naar uitleg over het museum.
‘Bij de schilderijen met het teken van een koptelefoon is een geluidsfragment te horen,’ schettert de man in mijn koptelefoon, ’toets het nummer in dat erbij staat en druk op ‘enter’.
‘Een kind kan de was doen,’ lach ik en stoot mijn vriendin aan.
‘Ssst,’ sist ze, ‘ik luister naar de levenspelgrimage.’

“Wij mensen moeten ons een weg vinden door het leven. Dat leven is als een pelgrimstocht; een lange reis vol verleiding en gevaar. De strikken van de duivel staan overal opgesteld. Dat maakt de wereld tot een oord vol verderf waartoe de levenspelgrim maar het beste zoveel mogelijk afstand bewaart. Toch moet de mens er doorheen en iedere dag kiezen tussen goed en kwaad. Aan het eind wordt de balans opgemaakt,” schalmt de stem in mijn oren.
“Jheronimus Bosch schilderde de levenspelgrim op de buitenzijde van het Hooiwagendrieluik en van de Landlopertriptiek.”

‘Wat heb ik hier zin in,’ fluister ik.
‘We moeten ook zeker bij zijn tekeningen gaan kijken. Daar heb ik zin in,’ glimlacht ze fluisterend terug.
De afgelopen weken hebben Marleen en ik er vaak over gesproken en de kranten staan er vol van, de Jheronimus Bosch tentoonstelling in het Noordbrabants museum in ‘s-Hertogenbosch.
Ondertussen stroomt het museum vol met nieuwsgierige mensen, sommigen blijven op gepaste afstand van een schilderij staan kijken, anderen zijn waarschijnlijk zo bijziend dat ze bijna met hun neus de vijfhonderd jaar oude opgedroogde verf kunnen ruiken.
We lopen van Het narrenschip via De navolging van Christus naar De landloper.
Ondertussen heb ik de geluidsknop van de audiotour gevonden en de man wat zachter kunnen zetten.

“Een reiziger loopt aan een herberg voorbij. Het hek was voor hem gesloten. Waar komt hij vandaan en waar gaat hij heen?” vraagt de stem.

‘Ik heb geen idee,’ mompel ik en probeer me een beeld te vormen van de steden en dorpen van die tijd. Ik ken nog wel wat verhalen van meneer Vernhout, een onderwijzer die me met zijn magische stem zo in het verleden kon zetten. Maar volgens mij heeft hij nooit verhalen vertelt over Jeroen van Aken en dat terwijl de lagere school vlak bij het centrum van de Bossche binnenstad stond.
Kwam de reiziger uit een stad uit 1500, die ommuurd was door wallen en vluchtte hij weg van de wrede hertog of was de zwerver door de hertog de stad uitgezet, omdat landlopers nu eenmaal niet in de stad thuishoren en gewoon op weg zoals hij altijd op weg was?
Net als ik heeft ook de stem het antwoord niet.
In de lange brede gangen en de grootsheid van de ruimten ben ik Marleen al snel kwijt. In de hal met de pentekeningen vind ik haar terug.
Als er één mooi kan tekenen en schilderen, is zij het wel. Ze staat te kijken naar een tekening van een hellelandschap met fantastische monsters en gedrochten.
Eerlijk gezegd heb ik wel genoeg fantastische wezens gezien en snak naar een rust moment.
‘Ik loop even door naar de volgende ruimte, jij hebt vast nog genoeg te zien aan al die kleine tekeningen,’ zeg ik geeuwend.
In het midden van de volgende hal staan een aantal banken die volledig bezet zijn door oudere mensen. Zodra er een plekje vrijkomt, plof ik neer.
Op het display van de audiotour tik ik nummer 91 in en kijk tussen de mensen door, naar het schilderij van de vrouw met baard die aan het kruis hangt.

“Wilgefortis was de dochter van een heidense Portugese koning,” hoor ik, “om onder een niet-christelijk huwelijk met een Italiaanse koning uit te komen, bad ze tot God om redding.”

Volgens mij heb ik het volume nu echt goed ingesteld. De stem die eerst zo dominant aanwezig was in mijn oren, komt van zeer grote afstand en is nauwelijks nog te horen. Een stem die over gaat in een lichte galm en daar doorheen hoor ik andere stemmen roepen.

‘De slet! Het is haar eigen schuld.’
Hij hield de tinnen beker in de lucht als teken dat die bijgevuld kon worden.
‘Zou U dat nu wel doen?’ zei Eduardo, ‘U heeft toch wel genoeg op.’
De kastelein schonk zijn beker vol en keek Eduardo vragend aan.
‘Não,’ zei hij in zijn beste Portugees.
Ze heeft U echt geraakt, maar ze krijgt daar morgen ook haar straf voor.’
‘En zo is het,’ zei Lorenzo, ‘we hebben niet voor niets zo’n eind gereisd. Ik wil haar zien hangen!’
Lorenzo maakte in zijn turquoise mantel met brede gouden banden een bijzondere indruk op de andere gasten van de herberg. Ze hadden wel gehoord waarvoor hij uit Italië naar Portugal was gekomen en eerlijk gezegd waren ze het ook met hem eens. Een vrouw moet trouwen als ze uitgehuwelijkt wordt. Zeker een dochter van onze koning. En dan nog wel met zo’n rijke Italiaanse koning. Van die rijkdom gingen zij vast ook profiteren.
Bij de ingang van de herberg stonden twee van zijn lijfwachten.
‘Ik neem er nog één en schenk alle anderen kelken ook nog eens vol,’ riep Lorenzo en hij viel slap tegen Eduardo aan.
Eduardo was wel wat gewend van zijn koning. De man stond bekend als een bruut. Op het eiland Sicilië was er geen ondergeschikte te vinden die niet op zijn knieën viel als de koning langs kwam. Een verkeerde toon, een verkeerde lach en je kon het met je leven bekopen.
Eduardo ondersteunde de koning en knikte naar de lijfwachten.
‘Kom we brengen U terug naar het kasteel. Een nacht slapen zal U goed doen.’
Ze ondersteunden de koning en namen hem mee naar buiten.
‘Een slet is het, ik zeg je …..’
Met die woorden stapte hij over de drempel.
‘Eduardo, waar breng je me heen?’
‘We gaan terug. U moet slapen, morgen is de dag dat ze wordt gekruisigd.’
De buitenlucht bracht de koning weer een beetje bij zijn positieven.
‘Je hebt gelijk, morgen wordt ze gekruisigd en dat is haar verdiende loon.’

‘Je bent het toch met me eens, ze heeft het verdiend om gekruisigd te worden?’ vroeg de koning, terwijl hij in zijn bed kroop.
‘Eerlijk gezegd vind ik het een vreemd verhaal dat me vanavond in de herberg werd verteld. Het is blijkbaar niet de dochter, maar de koning waar U boos op zou moeten zijn. Hij heeft U bedrogen met zijn bebaarde dochter,’ begon Eduardo en keek daarbij zijn koning voorzichtig aan.
‘De koning?’ haspelde Lorenzo met een dubbele tong.
‘Volgens de verhalen had de Portugese koning besloten om zijn dochter uit te huwelijken aan U. Maar tot zijn verbazing wilde zijn dochter niets van zo’n huwelijk weten. Tot die tijd was ze een prinses waar alle prinsen en koningen verliefd op werden en die deed wat haar vader haar vertelde. Maar ineens zei ze dat ze niet wilde trouwen. Ze wilde haar leven aan Jezus geven. De Portugese koning was een heiden en kon het niet verkroppen dat zijn dochter gelovig was geworden,’ ging Eduardo verder, terwijl hij zag dat zijn koning met open mond lag te luisteren.
‘Zou ze misschien toch ….’ zei de streng gelovige Italiaanse koning.
‘Hij liet haar geselen en in een donkere kerker opsluiten. Dat zou haar wel tot nadenken stemmen.’
‘Gelovig!’ had hij geschreeuwd, ‘je gaat trouwen met de koning van Sicilië en niet met Jezus!’
Zeven dagen lang mocht ze niet uit de kerker, zeven dagen had ze alleen maar tot God gebeden met de vraag om een oplossing. Ze wilde kuis leven en non worden.
‘Geen enkele van mijn kinderen zal non worden,’ schreeuwde de koning, ‘jij gaat voor nakomelingen zorgen en me rijk maken, nog rijker dan ik nu al ben.’
En God had haar op de zevende nacht een oplossing geboden. Er was een zwarte baard gegroeid aan haar bleke huid.
De koning was woedend geworden en had zijn dochter laten scheren, maar elke keer groeide de baard weer aan.
Toen besloot hij dat ze gekruisigd moest worden.

Lorenzo lag met grote ogen naar het plafond te staren.
‘Zou ze misschien toch een heilige zijn?’ en hij sloeg een kruisje, ‘zou God dit als een teken aan me laten zien? Een teken dat een verbinding van mensen alleen kan bestaan uit liefde?’
De koning was door slaap overmand en zijn hoofd viel langzaam opzij.

‘Foppe, Foppe wakker worden,’ fluistert Marleen.
‘Dank u wel,’ zegt de man naast me tegen haar, terwijl ik mijn hoofd van zijn schouder haal, ‘mijn vrouw en ik willen nu echt verder.’

Jeronimus Bosch – Sint Wilgefortistriptiek ca. 1495-1505. Olieverf op eiken. Venetië, Gallerie dell’Accademia.

Jorrit De Streekbakker

de streekbakker

Een stoep vol fietsen geeft de plek aan waar ik moet zijn. Ik loop in een oude stadswijk van Nijmegen waar de gemeente samen met de inwoners haar best doet om de wijk bewoonbaarder te maken. Aan het witte zand op de straatstenen te zien is deze weg kortgeleden opnieuw bestraat. Tussen de arbeiderswoningen staan nieuwbouwwoningen.
Willemskwartier maakt zich vandaag op voor een nieuwe bakker in de buurt.
Tegenover de fietsen is een speeltuin waar een originele Indiaanse tipi bevolkt wordt door kinderen in moderne Nederlandse kleding.

‘De Streekbakker’ staat er met grote letters geschreven boven de rode pui van de bakkerij. Binnen word ik verwelkomt door Jorrit, die gelukkig bij de ingang blijft staan zodat hij gevonden kan worden. Want binnen is het druk, heel druk. Allemaal enthousiaste vrienden, familie en kennissen die via een crowdfunding actie mee hebben geholpen om vandaag zaterdag 16 april 2016 de bakkerij officieel te kunnen openen.

De winkel is heerlijk licht ingericht, wit en veel ruimte. Aan de rechterkant een lange houten tafel met banken en stoelen, zodat je ook grote mokken thee of koffie kunt drinken met daarbij een heerlijk stuk brood. Een heerlijk stuk brood schrijf ik, maar daarmee doe ik het brood en de bakker te kort. Op zijn website schrijft Jorrit:
“Als je kiest voor brood van De Streekbakker, kies je voor beleving. Je ziet waar het brood vandaan komt, je kunt het bakken van het brood zelf ervaren en de geur, de smaak en de aanraking van het brood zijn een beleving. De broden en koeken van De Streekbakker worden gebakken met natuurlijke ingrediënten. Het graan van deze producten wordt verbouwd door Andre Jurrius van Ekoboerderij De Lingehof in Hemmen en gemalen door Bart Mols van korenmolen De Vlijt in Wageningen.”

In de bakkerij kom ik Suzanne tegen, die geen moment rust heeft met zoveel mensen die haar en Jorrit willen zien en spreken. Terwijl de ovens hun werk doen om straks een aantal saucijzenbroodjes te produceren zie ik Huub, hun zoontje, rondlopen en de mooiste bellen blazen.

Achter de bakkerij staat de houtoven waarmee Jorrit regelmatig op allerlei festivals aan het werk is om appelkaneelbroodjes te verkopen. In de rook van de oven staat een fiere man trots om zich heen te kijken. Het blijkt de oud leraar – brood en banket – van Jorrit te zijn. Hij heeft me alles vertelt van de deegkneed-, oprol- en langmaakmachines, desemautomaten, bakplaten en werktafels. En ondertussen smul ik van de pizza broodjes die om de paar minuten de oven verlaten.

Mocht je ooit in de buurt zijn, ga gerust eens binnen en smul van zuiver natuurlijke producten bij een vers gezet bakje koffie (of thee):
‘De streekbakker’, Thijmstraat 119, Nijmegen

Engel zonder hoofd (2)

Takot subo

vervolg van Engel zonder hoofd ………
We lopen naar het einde van de begraafplaats, daar waar een groot houten kruis op een heuvel waakt over een ieder die hier rust. De engel wijst ons na alsof het zeggen wil: het is goed zo, sla je armen om elkaar heen. Niet alles in het leven is te begrijpen.

‘Zal ik met je mee teruglopen?’
Aan haar vertragende pas merk ik dat ze twijfelt.
‘Tot aan het huis,’ zeg ik.
De snelheid van haar wandelpas klopt weer met zoals ik die altijd al ken. Ik versnel de mijne zodat ik weer naast haar loop.
‘Morgen is er muziek in de stad,’ zeg ik, ‘in de avond. Misschien heb je zin om mee te gaan?’
We lopen de wijk weer in waar vaders en moeders doelgericht hun automobielen van plek A naar plek B verplaatsen. Nog twee straten en dan staan we voor haar huis.
‘Het is een band met vrolijke Nederlandse muziek.’
Ze draait haar hoofd en kijkt me met haar bruine ogen aan.
‘Ik laat het je morgen weten,’ zegt ze en loopt haar straat in.
In de voortuin van haar huis staat een klein monumentje, een takotsubo kruik met een vrolijk kijkende stenen inktvis die zijn tentakels om de kruik heeft geslagen, een klein bosje bloemen en een foto van haar moeder.
‘Jij mag het wel weten,’ zegt ze.
Ik ben doodstil en kijk haar aan.
‘Ja, jij mag het wel weten.’
Ze knielt in de voortuin bij het bosje bloemen en zet het vaasje recht.
‘Gisteren heeft hij het me verteld,’ begint ze, ‘misschien had hij dat niet moeten doen. Ik vraag me oprecht af of ik het wel had willen weten.’
Ik kniel naast haar neer en streel een streng haar achter haar oor.
‘Mijn moeder is gestorven aan het gebroken hart syndroom.’
Een dikke traan rolt over haar wang.
‘Ze stierf op vaders sterfbed toen hij iets in haar oor fluisterde. Ze moet het al die jaren wel geweten hebben.’
Ze kijkt naar haar huis en staat op.
‘Zullen we nog een blokje om lopen?’ vraag ik en pak haar bij de arm.
Ze kijkt achterom en pakt mijn arm stevig vast.
‘Haar hart moet op dat moment zo groot zijn geworden dat het gebarsten is, vandaar de vaas. Al die jaren heeft ze het geweten, dat weet ik zeker. Maar ze heeft ons nooit geloofd of geholpen.’
We lopen de steeg achter haar huis in.
‘Gisteren heeft hij het me verteld.’
In de achtertuin staat haar broer een sigaret te roken.
Ze laat mijn arm los en loopt aarzelend op haar broer af.

Ik blijf bij de poort staan en zie hoe ze naar elkaar kijken.

Engel zonder hoofd

engel zonder hoofd

‘Mijn broer moet weten dat ik veilig ben en niets mankeer,’ zegt ze terwijl we de straat uitlopen.
‘Dat kan ik me voorstellen, maar zou je dan niet terug gaan en het hem vertellen?’
Auto’s volgeladen met kinderen rijden voorbij. Een eindje verderop rijden kinderen op de fiets met sporttassen, hockeysticks en koptelefoon.
‘Hij is nu nog thuis,’ zeg ik, terwijl ik mijn pas versnel om haar bij te houden.
Ik heb wel vaker met haar gesproken over haar broer, maar volgens mij gaan mijn woorden haar oren niet in.
Ze heeft haar bergschoenen aan en gezicht strak naar voren. Ik weet dat ik beter stil kan zijn.
Het is zaterdagochtend. De huisvaders en – moeders krioelen over de wereld om hun spruiten bij sport – of muziekles af te gooien, daarna door te gaan naar de schappen vol kruideniersspullen om de goederen daarna op te slaan in hun kasten en kelders.
Het geluid van de neergaande spoorbomen trekt me uit mijn wandelende gedachten.
‘Hij zal blij zijn om je weer te zien.’
Even kijkt ze me aan. Haar ogen lijken te zeggen: hij begrijpt het echt niet. Daarna kijkt ze weer strak voor zich.
‘Ik zal je laten zien waar ik de afgelopen dagen ben geweest,’ zegt ze.
We lopen over een modderig pad tussen hoge beukenbomen, slaan rechtsaf en komen bij een oude begraafplaats.
Ik lees de tekst van een gebroken grafsteen: Voorbijganger, ach sta even stil en bid voor mijn zielenrust. Labora sicut bonus miles christu jesu. Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus.
Ik kijk opzij en zie een glimp van haar gezicht die zich schuilt houdt achter haar lange blonde haren.

‘Het kan toch nooit zo erg zijn, dat je ’s nachts niet meer naar huis gaat?’
Ze toont me een plek onder de juniperus communis, de jeneverbes. Het symbool van kuisheid heeft met haar takken een plek gemaakt die niet zomaar vrijgegeven wordt.
‘Hier had ik je nooit gevonden,’ zeg ik.
‘Je mag dit aan niemand vertellen, echt aan niemand!’ zegt ze stellig. We treden haar toevluchtsoord binnen. Hierbinnen is het droog en voelt het warm. Een heg grenst aan de bes. En door de bladeren zie ik een engel bij een grafsteen, een engel zonder hoofd. De heilige engel, die aangesteld is over het paradijs, de slangen en de Cherubijnen, is als een boodschapper die alleen met gebaren duidelijk kan maken wat er is gebeurd.

Ze is geknield en haar woorden komen in flarden binnen.
‘Genadevolle Maagd,….! Ik wandelde in mijne onschuld. ……. Waak over mij, bescherm mij in het veilig toevluchtsoord van Uw Onbevlekt Hart. Amen.’
‘Wat! Wat heb je gezien? Wat heeft ie je gedaan?’
Ik schrik van mijn stem. De boosheid verjaagt de duiven die net nog rustig op de takken zaten. Ik zie een traan over haar wang rollen.
‘Het is goed zo, ik ga mee naar huis,’ zegt ze terwijl ze opstaat.
‘Ja maar,….’ begin ik, maar ze legt een vinger op mijn lippen.
‘Het is goed zo.’

We lopen naar het einde van de begraafplaats, daar waar een groot houten kruis op een heuvel waakt over een ieder die hier rust. De engel wijst ons na alsof het zeggen wil: het is goed zo, sla je armen om elkaar heen. Niet alles in het leven is te begrijpen.

Een droom aan zee

Beeld aan zee

Aan een tafeltje in het Kurhaus en kijk uit over de woeste zee. Het is springtij. Niet alleen het hoogwater is dan hoger, ook het laagwater is lager dan gemiddeld. De zon, maan en aarde staan vandaag in een rechte lijn. Alhoewel er van een zon geen sprake is. Het zeewater wordt door de stormwinden opgestuwd. Ik zie het verschil niet meer tussen de golven en de lucht.

Via de hoofdingang met zijn zware draaideuren zijn we de grote hal binnengekomen en hebben het tafeltje recht in het midden uitgezocht. Aan de wanden hangen foto’s van vroeger. Lang geleden lieten mensen zich op een kar door paarden de zee in trekken om reumatiek, zenuwziekten of zwaarlijvigheid tegen te gaan. Vandaag kan ik blijven zitten en komt de zee vanzelf naar mij toe.
Mijn vroegere roodharige wiskunde leraar komt op me af en vertelt me dat ik nooit de hoofdingang van het Kurhaus mag nemen, als ik foto’s van vroeger wil bekijken. Het is net als bij de stelling van pythagoras, die beklim je ook altijd via het gebouw ernaast.

Ik zie je naar buiten lopen over de, door de Spaanse toparchitect Manuel De Solà-Morales ontworpen, moderne boulevard. Jouw jas is dichtgeknoopt tot aan je kin. Je houdt jezelf vast aan je fototoestel. Naast een van de beelden ga je zitten, met een rechte rug en je benen gestrekt vooruit. Als in een sprookje worden je benen steeds langer en ik kijk langs jullie vier voeten en zie vrolijke gezichten.

Op het strand staat een uit karton opgebouwde graafmachine met 5 armen. Door de golven en de regen zakt hij arm voor arm in elkaar op het strand. De golven zijn ondertussen mensenhoog geworden. Vier mannen springen in het water om een vrouw te redden en honderden andere mensen kijken stoïcijns naar dit gebeuren en lopen daarna verder, waarbij hun hoofden nog net boven het water uitkomen.

Naast me zit een oude Zeeuwse boerin. De vrouw draagt een ondermutsje van pique met een wit kraakrandje  Rond haar hals draagt ze bloedkoralen met een rond gouden slot. In het midden van het slot een grote bloedkoraal. Ik kijk haar in paniek aan. Jij moet naar binnen komen voordat je ziek wordt. Ze mompelt in een onverstaanbaar dialect. Als ik beter naar haar kijk zie ik dat er een Engelse ondertiteling is geprojecteerd op haar mouwlief. Ze vertelt me dat jij helemaal geen tijd hebt om ziek te worden. Van 1 januari tot 31 december moet er namelijk gewerkt worden.

De ober blijft heen en weer lopen en zet mijn tafel vol met lekkere hapjes. Gerechten waarvan ik eindelijk weer de namen kan uitspreken. De knappe eigenaar van de hapjes komt naast me zitten en haalt uit zijn binnenzak tien ansichtkaarten die aan elkaar vastzitten en als een harmonica uitwaaieren. Vijf afbeeldingen van wijze en vijf van dwaze maagden en allemaal een ongelofelijk knap uiterlijk.

Er wordt op het raam geklopt en een oude statige vrouw zegt me dat de golven bestaan uit verschillende kleuren. De kunstenaar heeft dit aangebracht met een stof die een kleur reflecteert. Het is ge-pig-men-ti-seerd.

Als ik achter me kijk zie ik je lopen in een hele hoge fabriekshal. De geluiden van jouw hakken kaatsen door de hal en mijn hoofd. Ik zie je steeds kleiner worden. Tot je als een stip achter de trein verdwijnt.

Geen dier’der plek voor ons op aard,
Geen oord ter wereld meer ons waard,
Dan, waar beschermd door dijk en duin,
Ons toelacht veld en bos en tuin.
Waar steeds d’ aloude Eendracht woont,
En welvaart ‘s landsman’s werk bekroont,
Waar klinkt des Leeuwen forse stem:
“Ik worstel moedig en ontzwem”