Wilgefortis

Wilgefortis

Deze maandagochtend mogen wij als eersten de grote hal betreden, Marleen en ik. Er hangt een kastje om mijn nek met een digitaal schermpje en een koptelefoon. Zo luister ik naar uitleg over het museum.
‘Bij de schilderijen met het teken van een koptelefoon is een geluidsfragment te horen,’ schettert de man in mijn koptelefoon, ‘toets het nummer in dat erbij staat en druk op ‘enter’.
‘Een kind kan de was doen,’ lach ik en stoot mijn vriendin aan.
‘Ssst,’ sist ze, ‘ik luister naar de levenspelgrimage.’

“Wij mensen moeten ons een weg vinden door het leven. Dat leven is als een pelgrimstocht; een lange reis vol verleiding en gevaar. De strikken van de duivel staan overal opgesteld. Dat maakt de wereld tot een oord vol verderf waartoe de levenspelgrim maar het beste zoveel mogelijk afstand bewaart. Toch moet de mens er doorheen en iedere dag kiezen tussen goed en kwaad. Aan het eind wordt de balans opgemaakt,” schalmt de stem in mijn oren.
“Jheronimus Bosch schilderde de levenspelgrim op de buitenzijde van het Hooiwagendrieluik en van de Landlopertriptiek.”

‘Wat heb ik hier zin in,’ fluister ik.
‘We moeten ook zeker bij zijn tekeningen gaan kijken. Daar heb ik zin in,’ glimlacht ze fluisterend terug.
De afgelopen weken hebben Marleen en ik er vaak over gesproken en de kranten staan er vol van, de Jheronimus Bosch tentoonstelling in het Noordbrabants museum in ‘s-Hertogenbosch.
Ondertussen stroomt het museum vol met nieuwsgierige mensen, sommigen blijven op gepaste afstand van een schilderij staan kijken, anderen zijn waarschijnlijk zo bijziend dat ze bijna met hun neus de vijfhonderd jaar oude opgedroogde verf kunnen ruiken.
We lopen van Het narrenschip via De navolging van Christus naar De landloper.
Ondertussen heb ik de geluidsknop van de audiotour gevonden en de man wat zachter kunnen zetten.

“Een reiziger loopt aan een herberg voorbij. Het hek was voor hem gesloten. Waar komt hij vandaan en waar gaat hij heen?” vraagt de stem.

‘Ik heb geen idee,’ mompel ik en probeer me een beeld te vormen van de steden en dorpen van die tijd. Ik ken nog wel wat verhalen van meneer Vernhout, een onderwijzer die me met zijn magische stem zo in het verleden kon zetten. Maar volgens mij heeft hij nooit verhalen vertelt over Jeroen van Aken en dat terwijl de lagere school vlak bij het centrum van de Bossche binnenstad stond.
Kwam de reiziger uit een stad uit 1500, die ommuurd was door wallen en vluchtte hij weg van de wrede hertog of was de zwerver door de hertog de stad uitgezet, omdat landlopers nu eenmaal niet in de stad thuishoren en gewoon op weg zoals hij altijd op weg was?
Net als ik heeft ook de stem het antwoord niet.
In de lange brede gangen en de grootsheid van de ruimten ben ik Marleen al snel kwijt. In de hal met de pentekeningen vind ik haar terug.
Als er één mooi kan tekenen en schilderen, is zij het wel. Ze staat te kijken naar een tekening van een hellelandschap met fantastische monsters en gedrochten.
Eerlijk gezegd heb ik wel genoeg fantastische wezens gezien en snak naar een rust moment.
‘Ik loop even door naar de volgende ruimte, jij hebt vast nog genoeg te zien aan al die kleine tekeningen,’ zeg ik geeuwend.
In het midden van de volgende hal staan een aantal banken die volledig bezet zijn door oudere mensen. Zodra er een plekje vrijkomt, plof ik neer.
Op het display van de audiotour tik ik nummer 91 in en kijk tussen de mensen door, naar het schilderij van de vrouw met baard die aan het kruis hangt.

“Wilgefortis was de dochter van een heidense Portugese koning,” hoor ik, “om onder een niet-christelijk huwelijk met een Italiaanse koning uit te komen, bad ze tot God om redding.”

Volgens mij heb ik het volume nu echt goed ingesteld. De stem die eerst zo dominant aanwezig was in mijn oren, komt van zeer grote afstand en is nauwelijks nog te horen. Een stem die over gaat in een lichte galm en daar doorheen hoor ik andere stemmen roepen.

‘De slet! Het is haar eigen schuld.’
Hij hield de tinnen beker in de lucht als teken dat die bijgevuld kon worden.
‘Zou U dat nu wel doen?’ zei Eduardo, ‘U heeft toch wel genoeg op.’
De kastelein schonk zijn beker vol en keek Eduardo vragend aan.
‘Não,’ zei hij in zijn beste Portugees.
Ze heeft U echt geraakt, maar ze krijgt daar morgen ook haar straf voor.’
‘En zo is het,’ zei Lorenzo, ‘we hebben niet voor niets zo’n eind gereisd. Ik wil haar zien hangen!’
Lorenzo maakte in zijn turquoise mantel met brede gouden banden een bijzondere indruk op de andere gasten van de herberg. Ze hadden wel gehoord waarvoor hij uit Italië naar Portugal was gekomen en eerlijk gezegd waren ze het ook met hem eens. Een vrouw moet trouwen als ze uitgehuwelijkt wordt. Zeker een dochter van onze koning. En dan nog wel met zo’n rijke Italiaanse koning. Van die rijkdom gingen zij vast ook profiteren.
Bij de ingang van de herberg stonden twee van zijn lijfwachten.
‘Ik neem er nog één en schenk alle anderen kelken ook nog eens vol,’ riep Lorenzo en hij viel slap tegen Eduardo aan.
Eduardo was wel wat gewend van zijn koning. De man stond bekend als een bruut. Op het eiland Sicilië was er geen ondergeschikte te vinden die niet op zijn knieën viel als de koning langs kwam. Een verkeerde toon, een verkeerde lach en je kon het met je leven bekopen.
Eduardo ondersteunde de koning en knikte naar de lijfwachten.
‘Kom we brengen U terug naar het kasteel. Een nacht slapen zal U goed doen.’
Ze ondersteunden de koning en namen hem mee naar buiten.
‘Een slet is het, ik zeg je …..’
Met die woorden stapte hij over de drempel.
‘Eduardo, waar breng je me heen?’
‘We gaan terug. U moet slapen, morgen is de dag dat ze wordt gekruisigd.’
De buitenlucht bracht de koning weer een beetje bij zijn positieven.
‘Je hebt gelijk, morgen wordt ze gekruisigd en dat is haar verdiende loon.’

‘Je bent het toch met me eens, ze heeft het verdiend om gekruisigd te worden?’ vroeg de koning, terwijl hij in zijn bed kroop.
‘Eerlijk gezegd vind ik het een vreemd verhaal dat me vanavond in de herberg werd verteld. Het is blijkbaar niet de dochter, maar de koning waar U boos op zou moeten zijn. Hij heeft U bedrogen met zijn bebaarde dochter,’ begon Eduardo en keek daarbij zijn koning voorzichtig aan.
‘De koning?’ haspelde Lorenzo met een dubbele tong.
‘Volgens de verhalen had de Portugese koning besloten om zijn dochter uit te huwelijken aan U. Maar tot zijn verbazing wilde zijn dochter niets van zo’n huwelijk weten. Tot die tijd was ze een prinses waar alle prinsen en koningen verliefd op werden en die deed wat haar vader haar vertelde. Maar ineens zei ze dat ze niet wilde trouwen. Ze wilde haar leven aan Jezus geven. De Portugese koning was een heiden en kon het niet verkroppen dat zijn dochter gelovig was geworden,’ ging Eduardo verder, terwijl hij zag dat zijn koning met open mond lag te luisteren.
‘Zou ze misschien toch ….’ zei de streng gelovige Italiaanse koning.
‘Hij liet haar geselen en in een donkere kerker opsluiten. Dat zou haar wel tot nadenken stemmen.’
‘Gelovig!’ had hij geschreeuwd, ‘je gaat trouwen met de koning van Sicilië en niet met Jezus!’
Zeven dagen lang mocht ze niet uit de kerker, zeven dagen had ze alleen maar tot God gebeden met de vraag om een oplossing. Ze wilde kuis leven en non worden.
‘Geen enkele van mijn kinderen zal non worden,’ schreeuwde de koning, ‘jij gaat voor nakomelingen zorgen en me rijk maken, nog rijker dan ik nu al ben.’
En God had haar op de zevende nacht een oplossing geboden. Er was een zwarte baard gegroeid aan haar bleke huid.
De koning was woedend geworden en had zijn dochter laten scheren, maar elke keer groeide de baard weer aan.
Toen besloot hij dat ze gekruisigd moest worden.

Lorenzo lag met grote ogen naar het plafond te staren.
‘Zou ze misschien toch een heilige zijn?’ en hij sloeg een kruisje, ‘zou God dit als een teken aan me laten zien? Een teken dat een verbinding van mensen alleen kan bestaan uit liefde?’
De koning was door slaap overmand en zijn hoofd viel langzaam opzij.

‘Foppe, Foppe wakker worden,’ fluistert Marleen.
‘Dank u wel,’ zegt de man naast me tegen haar, terwijl ik mijn hoofd van zijn schouder haal, ‘mijn vrouw en ik willen nu echt verder.’

Jeronimus Bosch – Sint Wilgefortistriptiek ca. 1495-1505. Olieverf op eiken. Venetië, Gallerie dell’Accademia.