Dadels en rozijnen

Dadels

‘Hier, moet je eens proeven,’ zegt ze en houdt een doosje voor mijn neus met daarin vruchten in de vorm van overdreven grote rozijnen. Ik kijk haar vragend aan, terwijl ik een plakkerige vrucht uit het doosje probeer los te trekken van zijn soortgenoten.
‘Het zijn geen rozijnen,’ lacht ze, ‘dat zal ik je nooit aandoen. Dit zijn dadels, heel zoet, daar houd jij vast wel van.’
Ik observeer de vrucht op armlengte en kan me werkelijk niet voorstellen dat ik ooit van deze levensgrote rozijn zal gaan houden.
Voorzichtig stop ik ‘m midden in mijn mond, ik proef niets. Maar ik weet dat mijn lichaam het zwaar gaat krijgen als ik een opening in de huid van de vrucht moet bijten.
Het moment is daar dat ik de dadel niet langer anoniem in mijn mondholte kan houden. Het kauwmechanisme is gewend dat het in werking treedt zodra iets niet lichaamseigen mijn mond binnenkomt.
Ik hoor gekraak tussen mijn kiezen als ik de huid verpulver.
De smaak zet me even op het verkeerde been, een zoetige substantie. Normaal gesproken ben ik toch niet vies van zoet, maar blijkbaar werkt het anders in combinatie met deze afstotelijke gedachte.
Ik voel dat het vruchtvlees van de dadel, na zoveel maanden opgesloten te hebben gezeten in het vel van de vrucht, langs mijn kiezen naar de speekselklieren vlucht en ze aanzet tot overmatige productie. Mijn maagdarmstelsel begint in reverse mode te werken, als ik nu niet snel ben, gaat ’t echt mis.
Ze kijkt me aan: ‘Ik weet al voor wie de rest van de inhoud van dit doosje is.’
En kruipt in de hoek van de bank met haar kopje thee en spannende leesboek. Voor de zekerheid zoek ik even de kleinste ruimte op en besluit dat ik voortaan alles, wat maar een beetje op een gedroogde vrucht lijkt, in dankbaarheid in ontvangst ga nemen en ga afgeven aan mijn liefje op de bank.

 

Af en toe een fee

Ochtendgloren

Het is gelukt. Ik had gedacht dat het helemaal niet kon, maar toch is het gelukt, een jaar vol geluksmomenten, een jaar vol momenten van broos evenwicht. Ze zijn er gekomen, al was het bij tijd en wijle ook even zoeken. Soms kwamen de momenten vanzelf. Blijkbaar had ik op die dagen mijn voelsprieten uitstaan om het geluk in iedere zonnestraal te zien. Op dagen waarop het geluk ver te zoeken was, moest ik daarentegen de momenten zelf creëren, het geluk een handje helpen.

Zodra mijn antennes uitstaan heb ik een heldere kijk op mijn omgeving, ik hoor alles en mijn omgeving dringt diep in me door. De merel die vroeg in de ochtend boven op het dak vrolijk staat te zingen, de zon die boven de heiige weilanden met haar eerste warme stralen mijn gezicht streelt. Alles klopt, de flow van het leven. (http://www.fweijer.nl/2017-een-jaar-vol-geluksmomenten/)

Maar soms loopt het allemaal niet zo soepel. Is mijn blik naar de buitenwereld gesloten en moet ik moeite doen om de glimlach van een ander te herkennen.
Kort geleden had ik nog zo’n radeloze zoekdag, een dag waarop ik mezelf vreselijk in de weg zat. De vakantie was net begonnen en ik was moe van het werk.
‘Ik ga een eindje fietsen, een kerstkaartje in de bus doen bij vrienden,’ bromde ik.
‘Het zal je vast goed doen,’ zei mijn vrouw met een vriendelijke lach, ‘even naar buiten. Wie weet kom je onderweg een goede fee tegen die de vrolijkheid kan terugbrengen, ook al ben jíj meer van de kabouters.’
En daar had ze wel een punt. Ik ben meer van de kabouters. Liever met mijn voeten op de grond, dan de onzekerheid van het zweven.
Ik fietste naar Esch, terwijl ik nadacht over de kabouters en de feeën. Aan de rechterkant van de weg stond een huis met een waterput in de tuin. In het voorjaar groeien de planten uit de put over de rand en zorgen de bloemen voor een geurig pad vanuit de diepte van de bron, dé plek voor kabouters. Maar deze dag was het koud, het waaide en de zon wist geen plekje te vinden om door de wolken heen te breken.
Op het fietspad kwam me een hardloopster tegemoet. Vele jaren heb ik hardlopers training gegeven en hardlopers die ik getraind heb, herken ik van verre, maar deze loophouding deed geen belletje bij me rinkelen. Het was een voor mij onbekende jonge vrouw. Ik moest nogal bars gekeken hebben, ik voelde mij in ieder geval zo. Bij het passeren lachte ze even naar me. Even, want de ontmoeting was er in een fractie van een seconde. De tegenwind nam mijn gedachten weer in bezit en ik sloeg af naar het dorp.
Op de terugweg, met de wind in de rug, kwam ik haar weer tegen. Nu keek zij wat norser, waarschijnlijk door de vele hardloopkilometers. Desondanks deed niets in haar me denken aan kleine hardwerkende kabouters. Ik keek naar haar en lachte. Ze keek terug en ik riep: ‘fijne dag vandaag.’ We draaiden ons allebei nog even om. Ik zag een glimlach op haar gezicht en voelde die op de mijne.
Een fee die zomaar op mijn pad kwam.

Ik wens jullie een jaar met af en toe een fee.

Pakjesavond

Pakjesavond

Ja, ik heb last van heimwee. Net als de heimweepiet, die bij de intocht van Sinterklaas dit jaar het liefst terug ging naar Madrid, omdat ze haar moeder zo miste. Gelukkig kon de Sint haar troosten en was er een stuurpiet die de boot toch naar Dokkum wist te loodsen en aan liet meren aan De Dijk. Sinterklaas is weer in Nederland.
Maar ineens zit er bij mij zo’n onprettig gevoel in mijn buik. Net of ik iets dierbaars ben kwijtgeraakt. Heimwee?
En terwijl ik kijk naar de pieten op televisie die de pakjes uit de boot halen, besef ik wat ik mis: de pakjesavonden van vroeger.

Het was koud en guur, de maan scheen door de bomen. Mijn moeder trok de gordijnen dicht. De platenspeler met ingebouwde speaker stond op 33 toeren en de grammofoonplaat kraste sinterklaasliedjes van het kinderkoor de kamer in. We zaten met z’n allen rond de gietijzeren kachel. ‘s Middags had ik kolen uit het schuurtje mogen halen. ‘Vul de kolenkit maar tot de rand,’ zei mijn moeder. Dat mocht, omdat het zo’n gezellige en lange avond ging worden. Van het zwarte roet uit het kolenhok had ik strepen op mijn wangen getrokken, ik leek een echte strepenpieten. Mijn moeder was daarna schurend bezig geweest om het zwarte roet met groene zeep van mijn wangen te krijgen, wangen die nu nog steeds nagloeiden. Mijn vader gooide extra kolen op het vuur en pookte nog eens. Ik schoof een stukje achteruit om de warmte de ruimte te geven de kamer in te trekken en niet alleen in mij. Uit volle borst zong ik met mijn broer en zus, dat de Sint nu eindelijk weleens binnen mocht komen, want we zaten al heel lang recht. Er werd hard op de deur gebonsd. Een zwarte hand gooide een zak vol strooigoed de kamer in. De ongeopende zak vloog over mijn hoofd door de kamer en belandde tegen een vaas. Een bloemenvaas waar al minstens een week bloemen in stonden. De zak brak. De vaas brak. Het water stroomde de zak in. Het maakte van de pepernoten een pap van roggemeel en de anijsgeur van de noten veranderde in niet fris ruikend bloemenwater.
Eerlijk gezegd zorgde de spanning van het heerlijk avondje en het zien van de pepernotenbrij voor de nodige waterlanders. Maar nadat mijn moeder de boel had opgedweild, ook mijn tranen, maakte de aanwezigheid van een zak vol pakjes alles goed en lagen mijn broer en ik even later op de grond om de elektrische raceauto’s over het spiksplinternieuwe circuit te laten scheuren.

Het onprettige gevoel in mijn buik trekt langzaam weg. Wat overblijft zijn heerlijke nostalgische herinneringen, een klein beetje heimwee naar het verleden.

Fijne pakjesavond.

Een nieuwe hond

Noukie
Met dank voor het poseren aan Noukie, de hond van Astrid en Stefan Beumer. Het verhaaltje gaat niet over jou hoor, maar je bent wel een knapperd.

‘Zal ik hem dan maar achterin zetten?’ vraagt de man met de mand in zijn armen.
‘Vooruit, doe het maar,’ zeg ik, terwijl ik een paar hondstrouwe ogen naar me zie staren.

Hoeveel jaar was het geleden dat ik afscheid moest nemen van de diep bruine ogen van Bruno en mijn moeder mij de volgende dag al meenam naar het asiel om een ‘nieuwe’ uit te zoeken.
Het was woensdagmiddag en ik rende zo snel ik kon het schoolplein af, sloeg rechtsaf de Oude Kerkstraat in, langs fietsenmaker Schultenaar waar altijd een zwarte racefiets in de etalage hing. Ooit ga ik die kopen, dan ben ik nog sneller thuis. Maar deze keer bleef ik er niet bij staan kijken. Mijn moeder had gezegd dat we iets leuks gingen doen als ik uit school kwam. Na de brug over het kanaal moest ik linksaf en dan kon ik de televisie-antenne van ons huis al zien. Het huis zelf zat verscholen achter meters hoge coniferen.
‘Je jas op de kapstok hangen, handen wassen en dan eerst je boterhammen opeten,’ zei mijn moeder toen ik binnenstoof.
‘Maar we gaan iets leuks doen hè?’
Ik gleed op mijn stoel, vouwde mijn handen en prevelde, ‘laat het écht iets leuks zijn, amen.’
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze met een glimlach.
Van schrik stootte ik mijn melk om.
‘Verdorie, nog eens aan toe. Let toch ook beter op,’ mopperde ze en haalde met flinke slagen een vaatdoek over de tafel.
Ik keek achter me. In de hoek bij de koelkast lag hij in zijn mand en het leek of hij lag te slapen. Zijn bruine flaporen lagen over zijn snuit, die normaal gesproken op en neer bewogen op het ritme van zijn uitademing.
‘We gaan een nieuw hondje uitzoeken,’ zei ze weer met die glimlach, ‘en pappa zorgt ervoor dat Bruno in de tuin begraven is voor we terug zijn. Eet maar snel je boterhammen op.’
En terwijl ik een hap probeerde te nemen voelde ik dat een brok het slikken verhinderde. Vreemd dacht ik nog, ik had nog geen hap genomen en toch wilde er niets door mijn keel. Ik veegde met mijn mouw de tranen af.
Gisteravond had ik de buurvrouw tegen mijn moeder horen snikken: ‘maar een kind moet je niet gelijk een nieuw hondje geven, het moet eerst rouwen.’
Het is dezelfde buurvrouw die ik niet anders ken dan met een grote rode zakdoek in haar handen, steeds de tranen van haar gezicht vegend. Mama had gezegd dat haar zoontje vier jaar geleden is verdronken in het kanaal.

‘Vooruit doe het maar,’ zeg ik, terwijl mijn zoontje me met rood doorlopen ogen aankijkt en de fokker de mand achter in de auto schuift.
‘Dit is een nieuwe hond, hè papa en deze is helemaal alleen van mij,’ snikt de kleine.

Een hijgend hert

Berghut

Op het terras van ‘Het hijgend hert’, de enige berghut van Nederland, staar ik over de heuvels van het Limburgse land. We zijn halverwege een fikse wandeling.
De geur van verse koffie trekt mijn gedachten uit een ‘mindvolle’ staat, terug naar mijn jeugd.

In de woonkamer zit mijn vader achter een vers kopje koffie te blazen en mijn moeder achter het harmonium stevig te trappen. Ze houdt de noten van psalm 42 langgerekt aan, terwijl de lucht uit de balg naar de verschillende groepen van metalen tongetjes wordt geleid. Ik ben een achtjarig jongetje en sta ernaast, in mijn witte blouse met donker groen strikje, een bruine korte broek en de voeten gestoken in parmantige zwarte sandalen. Op de hele noten zing ik de tekst met mijn mezzo-sopraanstem, lekker traag en met flinke uithalen. Mijn moeder trekt na het eerste couplet de registers nog eens vol open.
En ik keer terug naar het terras van de berghut.

We zijn halverwege onze Limburgse wandeling. Ik blaas stevig over mijn hete koffie en bedenk me, terwijl ik naar de naam van de berghut kijk, dat mijn ziel na twee uur wandelen altijd weer dorst naar vers gezette koffie van ter plekke gemalen koffiebonen.

Psalm 42:1
’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.
Ja, mijn ziel dorst naar den Heer’;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naadren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw Naam verhogen?

Midlifecrisis

Roodborstje

Menigmaal vermaak ik me met mijn onrustige vrienden in het café en luister naar hun fantastische verhalen over de aanschaf van een motor en de wind in hun haren als ze op een getemd ijzeren paard over de Nederlandse dijken rijden. Even niemand om je heen, absolute vrijheid.
En in november is het moment daar. Ik sta voor de keuze waar veel mannen van mijn leeftijd voor staan. Een 180 graden verandering in mijn leven, een innerlijk gevoel dat rond je vijftigste levensjaar hardnekkig de kop op steekt. Het moment van de irrationele beslissing. Natuurlijk had ik ook een motor kunnen kopen, mijn tentje achterop kunnen knopen en over de kunstmatig aangelegde grondlichamen kunnen gaan reizen, weg van alle verantwoordelijkheden. Vrijheid, heerlijk alleen.
Maar ik koos voor een moestuin. Een tuin op een volkstuinencomplex, ze bestaan echt nog, waar ik de wind door mijn haren kan laten gaan en heerlijk alleen kan zijn.

Nu is een moestuin in november niet echt een aanrader voor mensen die te maken krijgen met zo’n belangrijk keuze in hun leven. En alleen zijn is er ook niet helemaal bij. In het najaar beginnen met een tuin is namelijk een oefening in geduld, wetende dat er straks iets moet gebeuren, maar dat je nu nog niets kunt doen. De eerste zaadjes kunnen pas in februari – maart de grond in. Zelfs het onkruid wil nu nog niet groeien.

Terwijl de koude noorderwind door mijn haren blaast, kan ik nog net de tuin schoffelen en bedekken met een dikke laag champost. Binnen de kortste keren heb ik drie vaklui en een roodborstje om me heen staan, die me niet alleen raad geven, maar ook meehelpen om een aantal appelbomen en een rode bessenstruik voor de winterperiode in de grond te krijgen en bij het verwijderen van de omhoog gespitte zaden van het voorheen diep verborgen onkruid.
Het voordeel van doorgewinterde tuinmannen is dat ze de kennis, de handigheid van vakmannen en warme kachels in hun schuurtjes hebben. En het voordeel van zo’n rood gekleurd borstje is, dat ik ertegen kan praten zonder dat er teruggesproken wordt. Het blijft me aankijken en rustig om me heen hippen.

Mijn eerste adviezen kreeg ik toen een dunne laag sneeuw de tuin bedekte. Het is verdraaide handig om de tuin af te sluiten voor hongerige konijnen. Een lage afscheiding zou daarvoor afdoende zijn. Ik wist op dat moment nog niet met welk materiaal ik dit zou gaan aanpakken, maar wist wel hoe ik het zou gaan financieren. Om met de woorden van Donald te spreken: “Ik zal een afscheiding bouwen en niemand bouwt een afscheiding beter dan ik, geloof me en ik bouw hem erg goedkoop. Ik bouw een grote, grote afscheiding tussen onze tuinen en ik zal ervoor zorgen dat de buurman het gaat betalen. Let op mijn woorden.”

Ik heb al snel begrepen dat je een volkstuin niet begint voor je rust. Het is hard werken en er is altijd iemand om je heen. Dus mocht je ooit het moment van de midlifecrisis bereiken, weet dan dat een moestuin op een volkstuinen complex niet alleen een gevoel van vrijheid oplevert en een onstuimige wind die je haren alle kanten op blaast, maar ook nieuwe vrienden die de weg die je bent ingeslagen vrolijk maken.

Haar jasje

Malaga cafe

*

Haar jas hangt ze over de leuning van een lege stoel. Haar mobieltje trilt. De tekstberichtjes komen op het ritme van een Weense wals binnen. Haar ogen schieten van het kleine schermpje, naar de lege stoel, naar de deur van het café. Waar blijft hij? Een tik op haar schouder wekt haar uit haar mijmeringen. 
‘Ga maar naar huis. Hij komt vandaag niet meer,’ zegt een man.
‘Hij heeft het beloofd, gisteren heeft hij het beloofd.’
Haar gezicht loopt rood aan als ze haar mobieltje voor de laatste keer checkt.
‘Dan komt ie morgen, hij heeft het beloofd.’
De man begeleidt haar naar de deur. ‘Hij komt vast en zeker morgen, tante Annie,’ zegt hij en kijkt haar met een zorgelijk gezicht na.

**

Ze schuifelt op haar sloffen de straat over. Als ze de sleutel in het slot van haar voordeur steekt, hoort ze binnen een deur dichtslaan.
‘Walter? Walter, ben je hier?’ roept ze.
Ze stapt de drempel over. Luistert.
‘Walter?’
Het is muisstil en donker in huis.
Uit haar zak haalt ze de brief.
Bij een klein lichtje in de keuken strijkt ze de brief glad en leest de woorden nogmaals: ‘Morgen kom ik weer naar huis.’
Haar jaszak trilt. En blijft trillen.
Afwezig houdt ze het apparaat aan haar oor, morgen komt hij weer naar huis.
‘Mama? Mama je moet me wel terug appen, zo weet ik toch niet hoe het met je gaat?’
Haar dochter belt en appt haar om de haverklap.

***

‘Ik heb je overal gezocht, mama,’ zegt Karin, terwijl ze op een plastic stoel aan de keukentafel gaat zitten.
‘Je moet thuisblijven, dat heb ik al zo vaak gezegd. Niet alleen naar buiten gaan.’
‘Nico zegt ook dat hij zo komt,’ fluistert ze.
‘Je blijft nu thuis en gaat op tijd naar bed, mama.’
Moeizaam staat ze op. Ze legt het mobieltje op de tafel loopt met haar ogen bijna dicht door de kleine keuken naar de trapopgang.
‘Walter? Walter ben je boven?

****

Midden in de nacht zit Annie rechtop in bed. Wakker, ze is al uren klaarwakker. De regen slaat tegen het slaapkamerraam. In de brief schrijft Walter dat hij morgen weer naar huis zal komen. Ze weet niet of ze daar blij of verdrietig om moet zijn. Hoelang heeft ze hem nu al niet gezien? Ze was 35 jaar toen hij de deur achter zich had dichtgesmeten. Ze had gehoopt dat hij op de begrafenis van Henk zou zijn gekomen. Dat ze het verleden had kunnen begraven samen met haar man.
Op haar sloffen strompelt ze de trap af naar de keuken. Uit het lage hoekkastje haalt ze een steelpan, vult het met melk en steekt het fornuis aan.
Op de tafel ligt haar mobiel. Zwart, er zit geen leven meer in. Net zo zwart als hun relatie toen. Er zat geen leven meer in. Daarom had ze het gedaan.
In een keukenla vindt ze een oplader. Samen met de warme melk schuifelt ze de trap op naar haar slaapkamer. Het raam is weer opengewaaid en de vloer is kletsnat. Als Walter er is, komt alles goed.

*****

‘Mama, verdorie wat een zooi in je slaapkamer. Kom op, meehelpen opruimen.’
Als een wervelwind stuift Karin door het huis van haar moeder.
‘Jakkes, het is helemaal nat hier. Heb je een ongelukje gehad?’
‘Het is het raam, dat sluit niet meer zo goed.’
‘Een ongelukje is helemaal niet erg hoor, maar heb je je natte ondergoed wel in de wasmand gedaan?’
‘Walter zal het raam wel maken.’
‘Mama, hoe vaak moet ik het nog zeggen, Walter komt niet meer!’
‘Ik heb een brief …’
‘Die brief is van tien jaar geleden. Hij komt niet meer.’
Beneden gaat de bel.
‘Zie je, daar is hij al.’ Met een vrolijk gezicht waggelt ze over de treden naar beneden. 
‘Ha die Annie. Er is iemand die naar jou gevraagd heeft. Kan je even meekomen?’
‘Wie is het mama? Je koopt niets aan de deur hoor.’
‘Walter wacht op me in het café,’ glundert ze, ‘en ik moet mijn schoenen nog aan.’
‘Geen verkopers hoor,’ zegt Karin terwijl ze zich tussen haar moeder en de deur drukt.
‘O, hoi Nico, dat is lang geleden. Wat kom je doen?’
‘Karin, wat zie je er goed uit. Fijn je weer eens te zien. Gaat het goed met je? Ik neem je moeder even mee.’
‘Dank je wel,’ zegt Karin terwijl ze haar lange blonde haar achter haar oren schuift. ‘Hoezo neem je mama even mee?’
‘Ze heeft bezoek.’
‘Bezoek? Voor haar?’
‘Ik dacht, ik haal haar maar op, dan kan ik haar in de gaten houden.’
‘Ik ga mee.’
‘Laat ons nu maar, ik zorg wel dat ze weer veilig thuiskomt.’

******

Op de drempel van het café blijft ze staan. Haar ogen moeten wennen aan het donker. De inrichting van het café is in al die zestig jaar niet veranderd. Achterin tegen de muur zit een man met witte haren en hij lacht. Zijn gezicht is ook niet veranderd. Alsof hij daar al die jaren op haar heeft zitten wachten, zoals hij vroeger ook op haar had gewacht. De lach van Walter laat al zijn rimpels verdwijnen als een spookbeeld in de mist van sigarettenlucht.
‘Zie je, hij had het beloofd,’ mompelt ze.
Langzaam schuifelt ze tussen de tafeltjes door.
‘Walter, je bent er.’
De man heeft zijn vrolijke blik, vanaf haar binnenkomst, op haar gericht.
‘Annie.’
Hij staat op en terwijl hij een stoel achteruitschuift, drukt hij vluchtig een kus op haar wang.
‘Ga zitten, Annie. Dat is lang geleden. Je ziet er goed uit.’
Haar jas hangt hij op de leuning van een lege stoel.
‘Ik wist dat je terug zou komen, je had het beloofd. Mijn raam is stuk.’
‘Dit is Charlotte,’ wijst hij op de vrouw die tegenover hem zit, ‘ik laat haar zien waar ik vroeger heb gewoond en ik wou jou nog even zien.’
‘Walter mijn raam is weer stuk. We drinken wat en dan … .’
Haar gezicht loopt rood aan alsof een hevige samentrekking van het hart het bloed als een razende door haar aderen alleen maar naar haar hoofd stuwt.
‘Ik heb je brief bewaard, ik heb hem .. ,’ zegt ze terwijl ze het verkleurde – en gekreukte briefje uit haar broekzak haalt. Haar andere zak trilt.
‘We moeten nu echt verder Annie. Tjee, wat zie je er nog steeds goed uit. Tof om je nog even te hebben gezien,’ zegt hij terwijl hij opstaat en Charlotte haar jas aanreikt. Hij drukt een dikke kus op de wang van Annie.
‘Geweldig om je weer gezien te hebben,’ zegt hij en loopt naar de deur van het café.
‘Zeker fijn,’ mompelt Annie voor zich uit.
Ze kijkt op haar trillende mobieltje.
Haar ogen schieten van het kleine schermpje, naar de lege stoel, naar de deur van het café. Waar blijft hij? Hij heeft het beloofd.
Een tik op haar schouder wekt haar uit haar mijmeringen. 
‘Ga maar naar huis. Hij komt vandaag niet meer,’ zegt een man.
‘Maar hij heeft het beloofd, gisteren heeft hij het beloofd.’

*******

2017 – een jaar vol geluksmomenten

Klavertje4

‘Geluk is een broos moment van evenwicht.’ (Awee Prins)

Misschien ken je die momenten als je aan het sporten bent. Ineens lijkt alles te kloppen en voelt je lichaam zich enorm sterk, vrij, blij.
Je kunt er hard voor trainen, je kunt er zelfs naar streven om het iedere training, iedere wedstrijd weer te ervaren. En als het niet komt, dan train je harder, want je wilt het hebben, het moet echt beter.

Het mooie van leven is, dat zo’n moment toevallig gebeurt. Je kan het niet plannen, het is iets dat je toe valt. Geluk is dan ook geen doel, het is hooguit een moment; een broos moment van evenwicht.

De tijd gaat reuze snel als je het naar je zin hebt, de tijd gaat reuze langzaam als een herfstblad neerdwarrelt naar de aarde, tekenen van geluk. ‘In het licht van leven en dood is een neerdwarrelend herfstblad een heel significant gebeuren.’ (Hugo Matthysen)

Ik wens dat je ook in 2017 nog heel veel bladeren mag zien neerdwarrelen.

Zo zwart als roet

Sinterklaasliedje

Het wordt tijd om het Sinterklaasfeest te ‘downsizen’, te ontdoen van al zijn franjes en terug te brengen naar de essentie van het feest. Sommigen roepen dat het een traditioneel kinderfeest is en dat iedereen van dit feest af moet blijven. Maar diegenen die het feest veranderen en uit hun verband rukken zijn wij zelf, niet Sylvana of een anti – of pro zwarte pieten groep.

Het is een mooie traditie en dat mag je natuurlijk vieren. Iedere tradities heeft een aantal eigenschappen. Ze kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om een cultureel erfgoed door te geven.
Zo is ‘Haring happen’ tijdens de vlaggetjesdagen een culturele traditie om te vieren dat de nieuw gevangen haring aan land wordt gebracht. Het verwijst naar de bloeitijd van de haringvisserij in de eerste helft van de 17e eeuw. En het is goed te weten dat we afstammelingen zijn van een visserijvolk.
Daarnaast zijn we ook afstammelingen van een handelsnatie. Jan Peter Balkenende zei daarover: ‘Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek!’. Maar laten we van die zwarte bladzijden uit onze geschiedenis geen traditie maken.
In 2014 is het Sinterklaasfeest aangevraagd om opgenomen te worden als Nederlands cultureel erfgoed. Het verhaal van een Turkse bisschop wordt als Nederlands erfgoed gezien. Wij Nederlanders trekken echt alles naar ons toe. Het is in ieder geval een feest dat al meer dan honderd jaar wordt gevierd door de Hollanders.
Het is ook een feest waar liedjes bij horen. De meeste mensen kunnen bijna elk Nederlands liedje dat er over geschreven is meezingen en dat is wel heel bijzonder. Ons muzikale brein blijft oneindig lang in goede gezondheid. Kijk maar eens naar onze dementerende medemens, de liedjes van vroeger brengen herkenning en een lach op hun gezicht.
De Sinterklaasliedjes worden in de eerste plaats mondeling doorgegeven, de papa’s en mama’s hebben het er maar druk mee en behoren tot de weinige Nederlandse liedcultuur die nog altijd in de traditie van de actieve zangbeoefening staat.
Natuurlijk verandert er wel het een en ander aan het Sinterklaasfeest en zo hoort dat ook bij een traditie. Het paard van Sinterklaas was in 1850 nog bruin, in 1950 is deze vervangen door een witte en is de schimmel ‘Amerigo’ geboren. Was Zwarte Piet in de jaren dat ik een kleine jongen was de boeman, nu is hij omgetoverd tot een vrolijke man waar kinderen mee kunnen lachen. Tradities zijn dynamisch.

De kleur van de zwarte Piet is aan het veranderen en dat heeft volgens mij alles te maken hoe wij als mens met elkaar omgaan. Kleine kinderen lopen elkaar te pesten. Als ze een kindje zien met een bril op, dan hoor je ze roepen ‘brillenjood’. Als iemand een donkere huidskleur heeft wordt het ‘zwarte piet’ genoemd. Gelukkig spreken we ze daar snel over aan. Maar helaas grote mensen hebben ook veel te snel een oordeel klaar en steken deze tegenwoordig ook niet meer onder stoelen of banken. Laten we eerst eens leren om na te denken voor we iets zeggen en elkaar aan te spreken bij het uitspreken van oordelen en pesten. Dan hoeven mensen als Sylvana ook niet op te komen voor groepen mensen die zich gediscrimineerd voelen.

Een andere eigenschap van tradities is, dat er steeds nieuwe tradities ontstaan. Zoals het geweldige feest van ‘Halloween’, dat is komen overwaaien over de Atlantische oceaan. Over een aantal jaren vast een traditioneel Nederlands feest, waar niemand zich verder mee mag bemoeien. Wij bepalen zelf wel of we iemand willen laten schrikken met ‘clownsmaskers’ en ‘bebloede hakbijlen’.
En wie weet ontstaat straks wel ‘Kinderdag’. Een echt kinderfeest. Een dag waarop een kind zelf mag bepalen wat er gebeurt, zolang er niemand gewond raakt of dingen stuk gaan. Je zou eens moeten zien hoe blij een kind dan is. We hebben van Sinterklaasfeest een happening gemaakt die in handen van de commercie alleen nog gaat over cadeaus en snoepgoed. Terwijl een kind blij is als de aandacht krijgt.

Laten we het Sinterklaas terugbrengen naar de essentie. Een intiem feest waarin we aandacht hebben voor elkaar, ongeacht of Sinterklaas er Turks of zwarte Piet er zwart uitziet.

De spinnenknipper

beeld met schip

Rustig loop ik over het grote voorplein, langs een blote man met een schip op zijn onderbeen. Het museum bevindt zich achter de fraaie classicistische gevel van het oude gouvernementspaleis. De kamers zijn groot en hoog, zoals kamers in een adellijke woning horen te zijn. In de hoek van de expositieruimte staat een suppoost die even oud lijkt als het gebouw zelf.
“Dooie vliegen meneer,” zegt hij als ik langs hem loop.
“Ik zie het, bijzonder. En wat veel.”
Deze kunstenaar heeft wat met vliegen, overal liggen en hangen overleden vliegen in vitrinekasten.
“Veel, veel. Ach dat valt wel mee. Meer bijzonder is het hoe ze de vliegen heeft gevangen. Kijk maar eens hoe de vleugeltjes nog netjes aan het rompje zitten. Dat zal ze vast niet met zo’n kleefrol gedaan hebben.”
De man staat nu vlak naast me. Zijn tong glijdt over zijn lippen en elk moment verwacht ik dat deze vooruit zal schieten om zijn prooi te verslinden.
“Ik heb ze aan hun pootjes geregen”, zegt hij, “en ze als marionetten in mijn kamer opgehangen.”
“Vliegen?” vraag ik.
“Spinnen. Ik heb een verzameling spinnen. Die zijn moeilijker te doden en te conserveren dan een vlieg. Als je ze doodslaat, krimpen ze ineen en blijft er van hun imposante zwarte dikke lichaam een natte klodder met acht kromme pootjes over. Ik heb me gespecialiseerd in het doden van spinnen.”
De schouders van de man hangen slap naar beneden, maar zijn bolle ogen, die alle kanten opdraaien, fonkelen. “Het is een gave. Een spin op zo’n manier vangen en vermoorden, dat het lichaam mooi blijft en de poten netjes recht naast het lichaam blijven staan.”
Ik kijk naar de vliegen die door de kunstenaar aan dunne visdraadjes geregen boven het lijkje van een jong konijntje in een geordende zwarte kubuswolk zijn opgehangen.
“Van mijn moeder mocht ik ze alleen in het schuurtje houden. ‘Geen enge beesten in mijn huis!’ riep ze altijd. Wat zal ik zeggen, ik moest altijd doen wat zij zei. Niet studeren, maar werken moest ik na de lagere school. Ik was zo goed met mijn handen, had ze gezegd. Werken, boodschappen doen, de ramen lappen, het huis opknappen. Alles heeft ze me laten doen.” De man staart voor zich uit, zucht diep en glimlacht: “maar nu niet meer!”
Ik moet denken aan mijn middelbareschooltijd. Ik mocht van mijn ouders studeren en de lessen biologie en het determineren van de plantjes is me als de dag van gisteren bijgebleven. We liepen op warme zomermiddagen naar een weiland en plukten van elke plant een exemplaar. We schreven en tekenden. De stam, de steel, de kelkbladeren, de kroonbladeren en toen we thuiskwamen droogden we de plantjes door ze te bedekken met vloeipapier en in dikke zware boeken te leggen en daar een paar maanden niet naar om te kijken. Volgens mij ligt mijn herbarium nog op zolder.
Hoe zou de kunstenaar de vliegen hebben verzameld? Vast niet met een kleefrol en doodgeslagen kan ook niet, ze zien eruit alsof ze elk moment kunnen wegvliegen.
“Ik groef kleine plastic potjes in de grond, met de bovenrand van de val op gelijke hoogte met de grond. De potjes had ik gevuld met formol-oplossing gemengd met detergent. Iedere spin die in het potje terecht kwam werd vermoord door het giftige formol en zonk naar de bodem van het potje.”
Wie weet had de kunstenares een kamer gehad waarin ze de levende vliegen verzamelde en wachtte tot ze een voor een zouden sterven. Een broedkamer waar vliegen hun eitjes konden leggen in hompen oud vlees, waar de maaien zich konden ontwikkelen en nieuwe vliegen aan de lopende band de kamer vulden. Eens in de maand kon ze dan met een bezem heel voorzichtig de dode vliegen opvegen, terwijl om en op haar hoofd zwermen nieuwe vliegen kwamen ruiken, likken, wetende dat zij straks aan de beurt zouden zijn.
“Toen mijn moeder zo oud was dat ze de trap niet meer op kon, heb ik ze mee naar mijn kamer genomen en bevrijd uit hun potjes. Ik heb een manier gevonden om een draadje door hun pootjes te priemen”, de ogen van de man glimmen, “en de spinnen als marionetten op te hangen aan het plafond.”
Langs zijn kin liep een straaltje speeksel.
“Sinds ze dood is, knip ik iedere dag tien spinnen los. Nog zes jaar knippen en dan ben ik helemaal vrij.”