Haar jasje

Malaga cafe

*

Haar jas hangt ze over de leuning van een lege stoel. Haar mobieltje trilt. De tekstberichtjes komen op het ritme van een Weense wals binnen. Haar ogen schieten van het kleine schermpje, naar de lege stoel, naar de deur van het café. Waar blijft hij? Een tik op haar schouder wekt haar uit haar mijmeringen. 
‘Ga maar naar huis. Hij komt vandaag niet meer,’ zegt een man.
‘Hij heeft het beloofd, gisteren heeft hij het beloofd.’
Haar gezicht loopt rood aan als ze haar mobieltje voor de laatste keer checkt.
‘Dan komt ie morgen, hij heeft het beloofd.’
De man begeleidt haar naar de deur. ‘Hij komt vast en zeker morgen, tante Annie,’ zegt hij en kijkt haar met een zorgelijk gezicht na.

**

Ze schuifelt op haar sloffen de straat over. Als ze de sleutel in het slot van haar voordeur steekt, hoort ze binnen een deur dichtslaan.
‘Walter? Walter, ben je hier?’ roept ze.
Ze stapt de drempel over. Luistert.
‘Walter?’
Het is muisstil en donker in huis.
Uit haar zak haalt ze de brief.
Bij een klein lichtje in de keuken strijkt ze de brief glad en leest de woorden nogmaals: ‘Morgen kom ik weer naar huis.’
Haar jaszak trilt. En blijft trillen.
Afwezig houdt ze het apparaat aan haar oor, morgen komt hij weer naar huis.
‘Mama? Mama je moet me wel terug appen, zo weet ik toch niet hoe het met je gaat?’
Haar dochter belt en appt haar om de haverklap.

***

‘Ik heb je overal gezocht, mama,’ zegt Karin, terwijl ze op een plastic stoel aan de keukentafel gaat zitten.
‘Je moet thuisblijven, dat heb ik al zo vaak gezegd. Niet alleen naar buiten gaan.’
‘Nico zegt ook dat hij zo komt,’ fluistert ze.
‘Je blijft nu thuis en gaat op tijd naar bed, mama.’
Moeizaam staat ze op. Ze legt het mobieltje op de tafel loopt met haar ogen bijna dicht door de kleine keuken naar de trapopgang.
‘Walter? Walter ben je boven?

****

Midden in de nacht zit Annie rechtop in bed. Wakker, ze is al uren klaarwakker. De regen slaat tegen het slaapkamerraam. In de brief schrijft Walter dat hij morgen weer naar huis zal komen. Ze weet niet of ze daar blij of verdrietig om moet zijn. Hoelang heeft ze hem nu al niet gezien? Ze was 35 jaar toen hij de deur achter zich had dichtgesmeten. Ze had gehoopt dat hij op de begrafenis van Henk zou zijn gekomen. Dat ze het verleden had kunnen begraven samen met haar man.
Op haar sloffen strompelt ze de trap af naar de keuken. Uit het lage hoekkastje haalt ze een steelpan, vult het met melk en steekt het fornuis aan.
Op de tafel ligt haar mobiel. Zwart, er zit geen leven meer in. Net zo zwart als hun relatie toen. Er zat geen leven meer in. Daarom had ze het gedaan.
In een keukenla vindt ze een oplader. Samen met de warme melk schuifelt ze de trap op naar haar slaapkamer. Het raam is weer opengewaaid en de vloer is kletsnat. Als Walter er is, komt alles goed.

*****

‘Mama, verdorie wat een zooi in je slaapkamer. Kom op, meehelpen opruimen.’
Als een wervelwind stuift Karin door het huis van haar moeder.
‘Jakkes, het is helemaal nat hier. Heb je een ongelukje gehad?’
‘Het is het raam, dat sluit niet meer zo goed.’
‘Een ongelukje is helemaal niet erg hoor, maar heb je je natte ondergoed wel in de wasmand gedaan?’
‘Walter zal het raam wel maken.’
‘Mama, hoe vaak moet ik het nog zeggen, Walter komt niet meer!’
‘Ik heb een brief …’
‘Die brief is van tien jaar geleden. Hij komt niet meer.’
Beneden gaat de bel.
‘Zie je, daar is hij al.’ Met een vrolijk gezicht waggelt ze over de treden naar beneden. 
‘Ha die Annie. Er is iemand die naar jou gevraagd heeft. Kan je even meekomen?’
‘Wie is het mama? Je koopt niets aan de deur hoor.’
‘Walter wacht op me in het café,’ glundert ze, ‘en ik moet mijn schoenen nog aan.’
‘Geen verkopers hoor,’ zegt Karin terwijl ze zich tussen haar moeder en de deur drukt.
‘O, hoi Nico, dat is lang geleden. Wat kom je doen?’
‘Karin, wat zie je er goed uit. Fijn je weer eens te zien. Gaat het goed met je? Ik neem je moeder even mee.’
‘Dank je wel,’ zegt Karin terwijl ze haar lange blonde haar achter haar oren schuift. ‘Hoezo neem je mama even mee?’
‘Ze heeft bezoek.’
‘Bezoek? Voor haar?’
‘Ik dacht, ik haal haar maar op, dan kan ik haar in de gaten houden.’
‘Ik ga mee.’
‘Laat ons nu maar, ik zorg wel dat ze weer veilig thuiskomt.’

******

Op de drempel van het café blijft ze staan. Haar ogen moeten wennen aan het donker. De inrichting van het café is in al die zestig jaar niet veranderd. Achterin tegen de muur zit een man met witte haren en hij lacht. Zijn gezicht is ook niet veranderd. Alsof hij daar al die jaren op haar heeft zitten wachten, zoals hij vroeger ook op haar had gewacht. De lach van Walter laat al zijn rimpels verdwijnen als een spookbeeld in de mist van sigarettenlucht.
‘Zie je, hij had het beloofd,’ mompelt ze.
Langzaam schuifelt ze tussen de tafeltjes door.
‘Walter, je bent er.’
De man heeft zijn vrolijke blik, vanaf haar binnenkomst, op haar gericht.
‘Annie.’
Hij staat op en terwijl hij een stoel achteruitschuift, drukt hij vluchtig een kus op haar wang.
‘Ga zitten, Annie. Dat is lang geleden. Je ziet er goed uit.’
Haar jas hangt hij op de leuning van een lege stoel.
‘Ik wist dat je terug zou komen, je had het beloofd. Mijn raam is stuk.’
‘Dit is Charlotte,’ wijst hij op de vrouw die tegenover hem zit, ‘ik laat haar zien waar ik vroeger heb gewoond en ik wou jou nog even zien.’
‘Walter mijn raam is weer stuk. We drinken wat en dan … .’
Haar gezicht loopt rood aan alsof een hevige samentrekking van het hart het bloed als een razende door haar aderen alleen maar naar haar hoofd stuwt.
‘Ik heb je brief bewaard, ik heb hem .. ,’ zegt ze terwijl ze het verkleurde – en gekreukte briefje uit haar broekzak haalt. Haar andere zak trilt.
‘We moeten nu echt verder Annie. Tjee, wat zie je er nog steeds goed uit. Tof om je nog even te hebben gezien,’ zegt hij terwijl hij opstaat en Charlotte haar jas aanreikt. Hij drukt een dikke kus op de wang van Annie.
‘Geweldig om je weer gezien te hebben,’ zegt hij en loopt naar de deur van het café.
‘Zeker fijn,’ mompelt Annie voor zich uit.
Ze kijkt op haar trillende mobieltje.
Haar ogen schieten van het kleine schermpje, naar de lege stoel, naar de deur van het café. Waar blijft hij? Hij heeft het beloofd.
Een tik op haar schouder wekt haar uit haar mijmeringen. 
‘Ga maar naar huis. Hij komt vandaag niet meer,’ zegt een man.
‘Maar hij heeft het beloofd, gisteren heeft hij het beloofd.’

*******

2017 – een jaar vol geluksmomenten

Klavertje4

‘Geluk is een broos moment van evenwicht.’ (Awee Prins)

Misschien ken je die momenten als je aan het sporten bent. Ineens lijkt alles te kloppen en voelt je lichaam zich enorm sterk, vrij, blij.
Je kunt er hard voor trainen, je kunt er zelfs naar streven om het iedere training, iedere wedstrijd weer te ervaren. En als het niet komt, dan train je harder, want je wilt het hebben, het moet echt beter.

Het mooie van leven is, dat zo’n moment toevallig gebeurt. Je kan het niet plannen, het is iets dat je toe valt. Geluk is dan ook geen doel, het is hooguit een moment; een broos moment van evenwicht.

De tijd gaat reuze snel als je het naar je zin hebt, de tijd gaat reuze langzaam als een herfstblad neerdwarrelt naar de aarde, tekenen van geluk. ‘In het licht van leven en dood is een neerdwarrelend herfstblad een heel significant gebeuren.’ (Hugo Matthysen)

Ik wens dat je ook in 2017 nog heel veel bladeren mag zien neerdwarrelen.

Zo zwart als roet

Sinterklaasliedje

Het wordt tijd om het Sinterklaasfeest te ‘downsizen’, te ontdoen van al zijn franjes en terug te brengen naar de essentie van het feest. Sommigen roepen dat het een traditioneel kinderfeest is en dat iedereen van dit feest af moet blijven. Maar diegenen die het feest veranderen en uit hun verband rukken zijn wij zelf, niet Sylvana of een anti – of pro zwarte pieten groep.

Het is een mooie traditie en dat mag je natuurlijk vieren. Iedere tradities heeft een aantal eigenschappen. Ze kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om een cultureel erfgoed door te geven.
Zo is ‘Haring happen’ tijdens de vlaggetjesdagen een culturele traditie om te vieren dat de nieuw gevangen haring aan land wordt gebracht. Het verwijst naar de bloeitijd van de haringvisserij in de eerste helft van de 17e eeuw. En het is goed te weten dat we afstammelingen zijn van een visserijvolk.
Daarnaast zijn we ook afstammelingen van een handelsnatie. Jan Peter Balkenende zei daarover: ‘Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek!’. Maar laten we van die zwarte bladzijden uit onze geschiedenis geen traditie maken.
In 2014 is het Sinterklaasfeest aangevraagd om opgenomen te worden als Nederlands cultureel erfgoed. Het verhaal van een Turkse bisschop wordt als Nederlands erfgoed gezien. Wij Nederlanders trekken echt alles naar ons toe. Het is in ieder geval een feest dat al meer dan honderd jaar wordt gevierd door de Hollanders.
Het is ook een feest waar liedjes bij horen. De meeste mensen kunnen bijna elk Nederlands liedje dat er over geschreven is meezingen en dat is wel heel bijzonder. Ons muzikale brein blijft oneindig lang in goede gezondheid. Kijk maar eens naar onze dementerende medemens, de liedjes van vroeger brengen herkenning en een lach op hun gezicht.
De Sinterklaasliedjes worden in de eerste plaats mondeling doorgegeven, de papa’s en mama’s hebben het er maar druk mee en behoren tot de weinige Nederlandse liedcultuur die nog altijd in de traditie van de actieve zangbeoefening staat.
Natuurlijk verandert er wel het een en ander aan het Sinterklaasfeest en zo hoort dat ook bij een traditie. Het paard van Sinterklaas was in 1850 nog bruin, in 1950 is deze vervangen door een witte en is de schimmel ‘Amerigo’ geboren. Was Zwarte Piet in de jaren dat ik een kleine jongen was de boeman, nu is hij omgetoverd tot een vrolijke man waar kinderen mee kunnen lachen. Tradities zijn dynamisch.

De kleur van de zwarte Piet is aan het veranderen en dat heeft volgens mij alles te maken hoe wij als mens met elkaar omgaan. Kleine kinderen lopen elkaar te pesten. Als ze een kindje zien met een bril op, dan hoor je ze roepen ‘brillenjood’. Als iemand een donkere huidskleur heeft wordt het ‘zwarte piet’ genoemd. Gelukkig spreken we ze daar snel over aan. Maar helaas grote mensen hebben ook veel te snel een oordeel klaar en steken deze tegenwoordig ook niet meer onder stoelen of banken. Laten we eerst eens leren om na te denken voor we iets zeggen en elkaar aan te spreken bij het uitspreken van oordelen en pesten. Dan hoeven mensen als Sylvana ook niet op te komen voor groepen mensen die zich gediscrimineerd voelen.

Een andere eigenschap van tradities is, dat er steeds nieuwe tradities ontstaan. Zoals het geweldige feest van ‘Halloween’, dat is komen overwaaien over de Atlantische oceaan. Over een aantal jaren vast een traditioneel Nederlands feest, waar niemand zich verder mee mag bemoeien. Wij bepalen zelf wel of we iemand willen laten schrikken met ‘clownsmaskers’ en ‘bebloede hakbijlen’.
En wie weet ontstaat straks wel ‘Kinderdag’. Een echt kinderfeest. Een dag waarop een kind zelf mag bepalen wat er gebeurt, zolang er niemand gewond raakt of dingen stuk gaan. Je zou eens moeten zien hoe blij een kind dan is. We hebben van Sinterklaasfeest een happening gemaakt die in handen van de commercie alleen nog gaat over cadeaus en snoepgoed. Terwijl een kind blij is als de aandacht krijgt.

Laten we het Sinterklaas terugbrengen naar de essentie. Een intiem feest waarin we aandacht hebben voor elkaar, ongeacht of Sinterklaas er Turks of zwarte Piet er zwart uitziet.

De spinnenknipper

beeld met schip

Rustig loop ik over het grote voorplein, langs een blote man met een schip op zijn onderbeen. Het museum bevindt zich achter de fraaie classicistische gevel van het oude gouvernementspaleis. De kamers zijn groot en hoog, zoals kamers in een adellijke woning horen te zijn. In de hoek van de expositieruimte staat een suppoost die even oud lijkt als het gebouw zelf.
“Dooie vliegen meneer,” zegt hij als ik langs hem loop.
“Ik zie het, bijzonder. En wat veel.”
Deze kunstenaar heeft wat met vliegen, overal liggen en hangen overleden vliegen in vitrinekasten.
“Veel, veel. Ach dat valt wel mee. Meer bijzonder is het hoe ze de vliegen heeft gevangen. Kijk maar eens hoe de vleugeltjes nog netjes aan het rompje zitten. Dat zal ze vast niet met zo’n kleefrol gedaan hebben.”
De man staat nu vlak naast me. Zijn tong glijdt over zijn lippen en elk moment verwacht ik dat deze vooruit zal schieten om zijn prooi te verslinden.
“Ik heb ze aan hun pootjes geregen”, zegt hij, “en ze als marionetten in mijn kamer opgehangen.”
“Vliegen?” vraag ik.
“Spinnen. Ik heb een verzameling spinnen. Die zijn moeilijker te doden en te conserveren dan een vlieg. Als je ze doodslaat, krimpen ze ineen en blijft er van hun imposante zwarte dikke lichaam een natte klodder met acht kromme pootjes over. Ik heb me gespecialiseerd in het doden van spinnen.”
De schouders van de man hangen slap naar beneden, maar zijn bolle ogen, die alle kanten opdraaien, fonkelen. “Het is een gave. Een spin op zo’n manier vangen en vermoorden, dat het lichaam mooi blijft en de poten netjes recht naast het lichaam blijven staan.”
Ik kijk naar de vliegen die door de kunstenaar aan dunne visdraadjes geregen boven het lijkje van een jong konijntje in een geordende zwarte kubuswolk zijn opgehangen.
“Van mijn moeder mocht ik ze alleen in het schuurtje houden. ‘Geen enge beesten in mijn huis!’ riep ze altijd. Wat zal ik zeggen, ik moest altijd doen wat zij zei. Niet studeren, maar werken moest ik na de lagere school. Ik was zo goed met mijn handen, had ze gezegd. Werken, boodschappen doen, de ramen lappen, het huis opknappen. Alles heeft ze me laten doen.” De man staart voor zich uit, zucht diep en glimlacht: “maar nu niet meer!”
Ik moet denken aan mijn middelbareschooltijd. Ik mocht van mijn ouders studeren en de lessen biologie en het determineren van de plantjes is me als de dag van gisteren bijgebleven. We liepen op warme zomermiddagen naar een weiland en plukten van elke plant een exemplaar. We schreven en tekenden. De stam, de steel, de kelkbladeren, de kroonbladeren en toen we thuiskwamen droogden we de plantjes door ze te bedekken met vloeipapier en in dikke zware boeken te leggen en daar een paar maanden niet naar om te kijken. Volgens mij ligt mijn herbarium nog op zolder.
Hoe zou de kunstenaar de vliegen hebben verzameld? Vast niet met een kleefrol en doodgeslagen kan ook niet, ze zien eruit alsof ze elk moment kunnen wegvliegen.
“Ik groef kleine plastic potjes in de grond, met de bovenrand van de val op gelijke hoogte met de grond. De potjes had ik gevuld met formol-oplossing gemengd met detergent. Iedere spin die in het potje terecht kwam werd vermoord door het giftige formol en zonk naar de bodem van het potje.”
Wie weet had de kunstenares een kamer gehad waarin ze de levende vliegen verzamelde en wachtte tot ze een voor een zouden sterven. Een broedkamer waar vliegen hun eitjes konden leggen in hompen oud vlees, waar de maaien zich konden ontwikkelen en nieuwe vliegen aan de lopende band de kamer vulden. Eens in de maand kon ze dan met een bezem heel voorzichtig de dode vliegen opvegen, terwijl om en op haar hoofd zwermen nieuwe vliegen kwamen ruiken, likken, wetende dat zij straks aan de beurt zouden zijn.
“Toen mijn moeder zo oud was dat ze de trap niet meer op kon, heb ik ze mee naar mijn kamer genomen en bevrijd uit hun potjes. Ik heb een manier gevonden om een draadje door hun pootjes te priemen”, de ogen van de man glimmen, “en de spinnen als marionetten op te hangen aan het plafond.”
Langs zijn kin liep een straaltje speeksel.
“Sinds ze dood is, knip ik iedere dag tien spinnen los. Nog zes jaar knippen en dan ben ik helemaal vrij.”

Radicale vernieuwing

revolution

De wereld is aan het veranderen en dat is al wat jaren aan de gang. In Amerika hebben ze gekozen voor Trump. Een volgende stap in deze verandering. We zijn mondiger geworden. En dat geldt voor iedereen. Bevolkingsgroepen die zich onderdrukt voelen, staan op en laten zich horen. Ze scharen zich achter mensen met een bek en daden. Waar we vroeger ontzag hadden voor autoriteiten, trekken we de conclusies van onze leiders in twijfel. We zeggen niet meer ‘Ja en Amen’. Onze artsen krijgen te maken met mensen die zelf uitzoeken wat er met hen aan de hand is, ze willen meerdere visies horen en nemen zelf een besluit. De politie en hulpverleners krijgen te maken met mensen die geen respect meer hebben voor hun functioneren en zorgen zelf voor openbare orde en veiligheid. De bestaande politiek werkt ook nog volgens een oud systeem, een systeem dat niet meer werkt in deze tijd. Het vertrouwen is verdwenen en mensen zijn op zoek naar nieuwe wegen om te komen tot vernieuwingen in de maatschappij.

Op zich is dat goed, vernieuwing is goed en radicale vernieuwing kan ander licht geven op de verhoudingen in de wereld. Er staan nieuwe groepen op die voortrekker gaan worden.
Alleen wie krijgt het voor het zeggen, als het democratische oude poldermodel niet meer werkt? Wie krijgt het voor het zeggen en wat zeggen ze eigenlijk of wat doen ze in werkelijkheid? In de geschiedenis zie je bij grote veranderingen groepen en mensen opstaan op basis van ‘de sterkste wint’. Er wordt geluisterd naar diegene met de grootste mond en met een duidelijk eenvoudig doel voor ogen. Dat zijn diegenen die macht uitstralen, krachtig zijn en daadwerkelijke verandering op dit moment brengen. Ze wekken vertrouwen en ook angst bij je op, een natuurlijke reactie en ze hopen dat je door die angst achter hen gaat staan. Het einddoel is vaak een wereld voor hun eigen gewin en diegenen die zich achter hen scharen. Voor voorbeelden hoeven we niet eens zo ver terug te gaan in de geschiedenis. Adolf Hitler, Benito Mussolini, Jozef Stalin. Of gewoon die jongens (en soms ook meisjes) uit de klas of in de buurt die vinden dat zij het voor het zeggen hebben en bepalen wie er bij de groep mag horen. De anderen scharen zich achter deze leiders en voelen zich veilig, omdat de groep groot en sterk genoeg is. Hun belang is vaak gericht op het hier en nu, en is gebaseerd op het recht van de sterkste. Veiligheid, eten en drinken voor de eigen soort en voor dit moment. Ze nemen de plaatsen in naast de oases, de plekken op aarde met de meest vruchtbare grond.

Er zijn ook mensen die uitgaan van de kracht van de mens voor de heelheid van de aarde en de medemens, die uitgaan van verdraagzaamheid en samenwerking. Voorbeelden daarvan zijn er gelukkig ook te vinden in de geschiedenis. Gewoon maar wat voorbeelden: Nelson Mandela, Mahatma Ghandi, Leonardo di Caprio, Otto Scharmer en paus Franciscus. Door wat zij zeggen en wat ze doen/deden, kan ook angst ontstaan, angst dat je het niet goed doet, dat de aarde straks niet meer leefbaar is. Maar bij deze mensen wordt niet het zwaard opgepakt en worden mensen niet uitgesloten. Er worden door hen voorbeelden gegeven en manieren gezocht om sterker te kunnen leven.
Op dit moment draaien de documentaires ‘Before the flood’ en ‘Down To Earth.’ op internet en de filmhuizen. Ze vertellen ons van een aarde waar de vervuiling door onze manier van leven zo groot is geworden, dat de aarde zelf voor stabiliteit gaat zorgen als we onze manier van leven niet aanpassen. De opwarming van de aarde gaat voor wateroverlast zorgen en zwaardere weersomstandigheden. Ze vertellen over manieren om een verbinding aan te gaan met al wat leeft en dat ook te behouden. We kunnen er iets aan doen, ieder individu kan haar bijdrage leveren.
Sommige van die mensen verenigen zich en zoeken naar manieren om duurzamer en veiliger te leven. Deze manier van je leven veranderen vergt een grote inspanning, aangezien het hier gaat om een intrinsieke kracht die moet kloppen met jouw gevoel. Het is een manier van veranderen vaak tegen de grote stroom in. Maar zodra het gevecht met jezelf erop zit, is alles wat daarna gebeurt een stuk makkelijker.

Waar vind jij dat de verandering heen moet?
In het stelselmatig discrimineren en uitsluiten van anderen, in de macht van de sterkste, de uitbuiting van de aarde en word jij daar gelukkig en sterk van? Dan is dat zo.
In het contact maken met je medemens, familie, vrienden en vreemden, en zorgen voor de heelheid van de aarde? Dan is dat zo.
Kijk eens in jezelf, stel jezelf eens de vraag waar jouw kracht ligt, waar jij gelukkig van wordt? Kijk dan eens op aarde wie wat zegt en wat doet. Volg je eigen pad en niet de kudde.

De veranderingen zijn niet het einde van de wereld, alleen het einde van een droom. (Jeff Foster)

Zichtbare rotonde

Rotonde

Ben ik echt zo onzichtbaar?
Er zijn dagen dat het lijkt of niemand mij ziet. Op zich handig als ik op zo’n dag als zwarte -, witte – of gekleurde piet voor Sinterklaas mijn werkzaamheden verricht, maar op een rotonde is het erg onhandig.
Gisteren reed ik weer eens op de fiets door ons dorp. Een dorp waar steeds meer rotondes ontstaan. Zodra er ruimte genoeg is om een cirkelvormig plein met eenrichtingsverkeer neer te leggen, verdwijnen de gewone kruispunten. Zo rond 1985 is men daarmee begonnen. Want een rotonde is relatief veilig, doordat er zich alleen rechts afslaand verkeer op bevindt. Een gewoon kruispunt van wegen telt 38 verschillende conflicten tussen voertuigen en een verkeersplein slechts 8, zegt het ABC van de verkeersveiligheid uit 1994.
Ik fietste richting een VrFpBi. En zodra ik een ‘vrijliggend fietspad binnen de bebouwde kom’ nader, spitsen mijn oren en verwijden de pupillen in mijn ogen, gevaar. Ik keek daarom ook naar links, daar waren geen voertuigen te zien of te horen en naar rechts. Een groep van vier auto’s reed akelig dicht achter elkaar op de rotonde af. Hun snelheid was niet noemenswaardig hard.
Ik zag dat in de voorste auto een man het stuur vasthad. Naast hem zat een vrouw. Ik zag de man en dacht: ‘als ik hem kan zien, zou hij mij ook moeten kunnen zien’. De auto verminderde nog geen vaart toen ik het VrFpBi opreed. Ik bleef de auto en de bestuurder aankijken, terwijl mijn vingers al licht de trommelrem in werking zetten. De bestuurder verdween achter de linker voorstijl van de carrosserie van zijn automobiel. Ik zag zijn vrouw roepen. Remmen. Piepen. Ik kneep vol in mijn remmen. Hij stond halverwege het vrijliggende fietspad stil en ik er vlak naast. Daar waar mijn buurvrouw een paar weken geleden met allerlei botbreuken in het ziekenhuis was beland, had ik gisteren weer geluk en kon zonder mankementen doorrijden evenals de automobilist.

Er zijn twee grote groepen verkeersdeelnemers. Groep A, ook wel geheten de monsters op vier wielen, de automobilisten. Diegenen die zich volledig veilig voelen achter een dun stukje blik. En groep B, de wetteloze tweewielers, de fietsers. Diegenen die elke situatie in hun voordeel uitleggen en voorrang nemen.
En ik weet zeker dat groep A, groep B niet ziet en dat groep B, groep A niet wil zien. En dan is er natuurlijk nog een kleine groep. Noem het groep C, waar ik deel van uit maak. Die verkeersdeelnemers wantrouwen alle andere en gaan ervan uit dat ze nooit gezien worden.

Er zijn van die dagen dat het lijkt of niemand mij ziet, ben ik dan echt zo onzichtbaar?
Soms ben ik zo in mezelf gekeerd, dat het lijkt of ik niet aanwezig ben in de fysieke leefomgeving. Ik heb uit de werken van de grondlegger van de haptonomie, Frans Veldman, geleerd dat ik naast mijn reuk -, gehoor – en gezichtsvermogen ook een haptonomisch vermogen heb. Het is een uitbreiding van mijn eigen tastgevoel in de ruimte. Ik denk dan aan die keren dat ik in de stad loop en mensen tegen me aan botsen of juist die keren dat ik door de stad loop en iedereen naar me lacht of me groet. Ik kan het bewust inzetten. Ik heb het vermogen om mijn tastgevoel naar binnen te richten of juist naar buiten. In zijn publicatie ‘Tasten naar zinvol contact (1977)’ is hij op zoek gegaan naar de naar binnen of naar buiten gerichte gemoedstoestand en het psychische en fysieke draagvermogen.
Wie weet had ik gisteren een naar binnen gericht tastgevoel en konden groep A weggebruikers me ook echt niet zien?

Toch heb ik vannacht nog even liggen woelen in bed en wat ideeën op papier gezet om de onveiligheid van rotondes te verbeteren voor fietsers. Je zou bijvoorbeeld dromedarisbulten net voor het plein kunnen aanleggen. Ik ken ze uit Abu Dhabi, het Midden-Oosten, waar de auto’s nog harder op rotondes en kruisingen afrijden dan hier in Nederland. Er zijn daar zelfs bulten waarbij een iets te volgeladen auto, schuin de hindernis moet nemen opdat hij niet met twee wielen van de grond tot stilstand wordt gebracht. Wat ook zou kunnen is een detectielus in de weg. Zodra een fietser daaroverheen rijdt, gaan alle alarmbellen aan.

Waarschijnlijk veel te dure oplossingen voor zoiets simpels. Als ik dan toch zo graag gezien wil worden, zal ik voortaan mijn energie naar buiten richten en als een vrolijke verkeersdeelnemer door ons prachtige dorpje fietsen.

De rust van handen wassen voor het plassen

Kraan

Kijk en daar begint het volgende gedonder.
De consumentenbond heeft een onderzoek onder reizigers laten uitvoeren en het blijkt dat de reizigers zich meer aan elkaar en minder aan de dienstverlening door de NS ergeren. Eén van de conclusies die te trekken valt uit het onderzoek is: ‘De reiziger wil meer rust, dus de huisregels moeten worden aangescherpt en het treinpersoneel moet deze beter gaan handhaven.’

Eindelijk is het zover dat de treinen allemaal op tijd rijden, dat er een toilet in elk treinstel aanwezig is, dat er alleen mensen met een geldig vervoersbewijs op de perrons staan en dat iedereen een zitplaats heeft in de trein. En daar begint het volgende gedonder.
Nu beginnen we ons te irriteren aan onze medereiziger.

Natuurlijk wil ik rust.
Het is uitermate hinderlijk als je in een stilte coupé zit en iemand gaat praten of iemand begint te typen op het toetsenbord van een draagbare computer.
Ik wil rust.
Het is uiterst vervelend als een groep mensen de trein in komt. Een aantal mensen die bij elkaar hoort en ook willen laten weten dat ze bij elkaar horen.
Zoals vrouwen onderweg naar de Huishoudbeurs, mannen onderweg naar de HISWA te water of scouts, voorheen padvinders, onderweg naar een eng bos.
Rust wil ik.
Waarom lopen mensen niet, net als ik, op schoenen met spekzolen, waarom halen ze niet heel zachtjes adem of houden ze hun nies in tot ze op een perron zijn.
Het is duidelijk, ik wil meer rust.

En ik wil dat de conducteur dat voor me gaat oplossen. Ik heb overwogen om het zelf op te lossen, maar door schade en schande ben ik wijs geworden. Vroeger ben ik iets te vaak met een blauw oog en kapotte kleding thuisgekomen. De laatste jaren worden de klappen steeds harder en lijkt er geen grens meer te zitten aan de agressie. De kans dat je pas weer wakker wordt in het ziekenhuis, nadat je iemand aanspreekt op zijn gedrag, is erg groot. Mijn moeder heeft me daarom gevraagd voortaan oordopjes in te doen en op mijn handen te gaan zitten.
Dat helpt en geeft rust. Huisregels ook, denkt de Consumentenbond en handhaving.

Of een conducteur de juiste persoon is om de huisregels te bewaken is nog maar de vraag. De vraag stellen is hem ook beantwoorden. Als er iemand is die vaak in elkaar geslagen wordt, is het de kaartjescontroleur wel.
Misschien kunnen we het beter over laten aan de politie. Ik las dat zij nog wel autoriteit bezitten. Een socioloog zei daarover: ‘Ondanks alles is de politie een ijzersterk merk.’ In hetzelfde artikel staat: ‘Zelf klaagt de politie al decennialang over gebrek aan waardering en respect bij de politieleiding, de politiek en de burgers, bleek uit een enquête van de SP (2009). Ze gruwelen van de opgelegde bonnenquota, bezuinigingen en bureaucratie.’
Nee, de politie heeft vast geen tijd voor het houden van toezicht in de trein en er zou een deuk kunnen ontstaan in het ijzersterke merk.

Maar wie dan wel?
In de begin jaren van deze eeuw werkte ik op een ICT-afdeling en hadden de managers bedacht dat er huisregels moesten komen. Ze hadden opgemerkt dat de kopjes in de centrale koffiecorner niet werden opgeruimd en het geregeld een zootje was in de afwashoek.
Een paar regels zijn me bijgebleven. Regel 9: Je eigen kopje afwassen en de koffiecorner ordentelijk houden en regel 10: Handen wassen voor het plassen.
Het management zorgde ervoor dat er iedere dag iemand van hen vrijgesteld was om de regels te handhaven.
Zodra ik dan ook met een leeg koffiekopje over de gang liep, sprong een leidinggevende van zijn stoel en liep met me mee om te controleren of regel 9 goed werd uitgevoerd. Ik heb zelfs gezien dat er meegelopen werd tot in de toiletruimte. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze daarheen moesten voor hun eigen afwatering.
Kijk zo hoort het. De leidinggevenden die zorgen voor orde, tucht en handhaving.

Hierbij dan maar een oproep aan de hogere legerleiding van de NS om één dag in de week mee te lopen op een trein, de regels helder en duidelijk te maken aan de klanten en te controleren op de naleving.

Doe het voor mijn rust.

Vrouw Holle en de terrorist

Efteling

Van het totale dodelijk aantal slachtoffers bij ongevallen in een jaar komt één op de dertig mensen te overlijden bij een verkeersongeval. Een steeds groter aantal daarvan, doordat ze met hun mobieltjes bezig zijn terwijl ze rijden. Zijn dat domme mensen of zijn ze gewoon gek? Ik denk vaak het laatste. En er komen elke dag meer dwazen bij.
Een week geleden liep ik op een kweekschool waar deze ‘getikten’ afstuderen. Kijkduin, de hotspot voor waanzinnige trainers. Oude – en jonge mensen zitten en lopen daar met een gebogen rug. Een draadje loopt van hun device naar de rug – of broekzak, waarin een externe batterij, de powerbank, de actieradius vergroot en ik dacht: ‘Help, laat ze niet ontsnappen, er komen nog véél meer gekken aan.’

Toch zijn we met z’n allen niet bang om in het verkeer om het leven komen. De meesten van ons stappen nog steeds zonder angst in hun SUV of DAF33 en slingeren het voertuig de snelweg op.

Waar we wel steeds banger voor worden, is de terrorist. Deze is trouwens ook te herkennen aan draadjes.
Zelfs de Efteling is niet veilig meer.

Als kleine jongen legde ik vrolijk mijn oor te luisteren op, maar tegenwoordig kruip ik op mijn knieën langs, de negentien paddenstoelen in het sprookjesbos. Ik luister of ik naast een vrolijk melodietje ook een ritmisch tikken hoor.

Sociale controle. Zo pakt het attractiepark terrorisme aan en ik help mee.
“De Efteling is altijd alert op opvallende en afwijkende zaken. Er is gelukkig veel sociale controle, waardoor die alertheid een natuurlijke bodem kent.”

Voorheen converseerde ik met Roodkapje. Ik vertelde haar dat de Boze wolf voor de deur van haar oma stond. Zij bedankte mij vriendelijk en haalde de boswachter erbij. Maar tegenwoordig heeft ze geen tijd meer om met me te praten. Ze heeft een knopje in haar oren en ook daar zit een draadje aan.
Jazeker, het bos zit vol afwijkende zaken en kent een natuurlijke bodem.

Ik hoorde van een in haar slaap mompelende Doornroosje, dat een vrouw langs was gekomen die had gezegd: “Ze moeten een cadeau krijgen dat lijkt op wat de broeders in Parijs en Brussel hebben gedaan.”
De schone slaapster met een oortje in haar oor en van wie ik denk dat zij tegenwoordig niet meer echt slaapt, maar óók de opdracht heeft gekregen om alert te zijn, had geen idee wat dat zou kunnen betekenen.
En ik dacht, cadeautjes? Vrouw Holle geeft je wat je toekomt.
Je kent haar vast wel. De vrouw die goud strooit over eenieder die lief is en pek over elkeen die vervelend is en lui.

‘Godin van leven, dood en de aarde,’ riep ik, ‘vrouw die haar naam gaf aan de onderwereld. Straf ze met nachtmerries, snijdt hun buiken open, vul ze met stenen en kieper ze over de rand van de put. Gooi potten met pek over alle terroristen. Pek dat er niet meer afgaat, ook al was je je drie keer per dag.
O ja, als je toch bezig bent, doe dan ook iets aan de autorijdende gekken met hun mobieltjes achter het stuur.’

De pijp van Maarten

Hand in hand

Achter een ronde terrastafel zaten een man en vrouw als versteende borstbeelden op een piano voor zich uit te kijken. Ik kijk mee. We kijken uit over een plantsoen. Daar zijn er niet veel meer van, groene stroken in de stad.
‘Ik moet om 11 uur nog koffiedrinken bij mijn zus, hè. Dus het is allemaal wel krap gepland vandaag,’ zei de man. Als een goed opgevoede burger draaide ik mijn hoofd en haalde adem om wat te zeggen.
‘Ze woont op de Margietweg,’ ging hij verder, ‘echt slim is het allemaal niet.’
‘Nee Maarten,’ antwoordde de vrouw zonder haar hoofd te draaien en roerde in haar lege koffiekopje. Na een stilte waarin alleen het ijzeren tikken van het lepeltje tegen het porseleinen kopje te horen was, zei ik: ‘Dat is nog een aardig eindje lopen.’ Het hoofd van het mannenbeeld kon blijkbaar draaien, want het stond nu met de mondstand richting mijn tafeltje.
‘Ze begrijpt het allemaal niet, meneer. Ze heeft hippo uhh, hippovinks.  Ze rookte als een ketter, d’r keel hè.’
‘Dat lijkt me niet zo best. Dat ze het allemaal niet meer begrijpt,’ probeerde ik, terwijl in het plantsoengras hyperactieve appelvinken af en aan vliegen.
Hij schudde afkeurend zijn hoofd en pakte zijn builtje shag. Zijn vrouw haalde de pijp uit haar damestasje.
‘Hipo varinks! Kanker, meneer,’ zei de vrouw en tikte de pijp met een ferme slag naast haar kopje.
‘Fijn dat u even bij haar langs gaat,’ riep ik enigszins te hard. Mijn neiging om bij oude mensen net iets te luider te praten had ik niet geheel onder controle. Hij nam de pijp, stopte en stak ‘m aan.
‘Ik laat me nooit behandelen, nooit van mijn levensdagen, die nieuwerwetse doktoren. Ik zeg altijd maar zo, gewoon genieten van de dagen die de Here God je geeft,’ ging de man verder, ‘en dan doodgaan. Je moet er toch niet aan denken om dag in dag uit in zo’n ziekenhuis te moeten zitten. Nee, ik zou het wel weten. Als God je roept, dan ga je.’
Ik knikte mijn hoofd. Daar zat wat in. Wachten deed ik al een groot gedeelte van mijn leven. Zoals nu op de ober die aankwam lopen met een latte macchiato.
‘Hij is een mopperkont, meneer, als de dood om ziek te worden. Ik zeg altijd maar zo … .’
‘God geeft en God neemt,’ vulde de man aan, ‘In de bijbel staat het luid en duidelijk. Job zei het al: “En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen.”. Ik heb al veel vrienden verloren die hard gevochten hebben, meneer. En waarvoor? Ze zijn allemaal gaan liggen. Nee, vechten doe ik niet meer. Laat het maar gebeuren. Ik heb mijn plekje al uitgezocht.’
‘Mensen kunnen natuurlijk ook gewoon hun sigaretje laten liggen. Je hebt zelf de keuze. Ik zeg altijd maar zo … ,’ ging zijn vrouw verder.

Een vrachtwagen van de gemeentelijke reiniging stopte tussen ons en de vinkjes en ledigde met veel kabaal de grote afvalcontainer van het café. Nadat hij was opgetrokken en een laatste dikke pluim dieselrook over het terras had geblazen, waren de vinkjes verdwenen.

De man en vrouw schoven hun stoelen achteruit.
‘Ik zeg altijd maar zo, als je wilt dat je leven beter wordt, meneer, dan moet je het zelf maar beter maken,’ hield de vrouw stug vol.

Hand in hand liepen ze het terras af en gingen het hoekje om, in de richting van de Margrietweg.

 

Volto Santo in Lucca

Volto Santo

Laat in de middag komt Martino met zijn mannen aan op het strand van Luni. De reis van het eiland bij Genua door het Noordelijke gedeelte van de Apennijnen tot aan de Toscaanse archipel is vreedzaam verlopen. Zelfs in de bergpas bij het witte marmer van Carrera waren geen rovers te zien geweest. De paarden zijn moe, maar nog goed in staat om vooruit te komen en de houten kar met het Gezicht is heel gebleven.
In de verte ziet Martino het schip liggen. De golven spelen ermee, maar het blijft liggen als een rots in de branding, rechtop en verroert zich niet. Op het strand verdringen zich honderden mensen die op veilige afstand nieuwsgierig, maar met angstige gezichten naar het vaartuig kijken. Zodra ze Martino en zijn gevolg zien snellen ze in zijn richting en proberen hem en zijn tunica aan te raken. Hij is gewend dat mensen hem willen aanraken in de hoop op genezing of een verandering in hun leven. Toen hij jong was, had hij genoten van de magische krachten die hij bezit en de aandacht die dat oplevert. Nu zoekt hij steeds meer de rust op en heeft hij een paar maanden geleden zijn toevlucht genomen op een eiland bij Genua.
Maar toch, toch staat hij nu hier tussen al die mensen.

Martino kijkt achterom en ziet zijn beste vriend Andreas dichtbij de kar met het Gezicht. Hij wendt zijn paard en gaat naast hem rijden.
‘Laten we verderop op het strand ons kamp inrichten’ zegt Martino, ‘daar hebben we beschutting van de duinen en kan de kar goed in het oog gehouden worden.’
Al vanaf hun jeugd in Hongarije zijn ze de beste vrienden, overal waar Martino gaat, wijkt Andreas niet van zijn zijde.
‘De nacht zal snel intreden, we maken een vuur en leggen er onze slaapmatten om heen. Een paar wachters zullen de mensen wel op afstand houden. Morgen zullen we een kijkje nemen bij het vastgelopen schip.’

Martino werd rond 316 na Chr. geboren in Savaria in Hongarije. Zijn vader was een Romeinse veldheer en hij groeide beschermd op met zijn drie zussen in een huis aan de rand van de stad. Zijn vader was een rijke officier, daardoor hadden ze thuis onderricht in rekenen, schrijven en lezen. Aangezien hij werd opgeleid voor een loopbaan in het leger, moest hij ook leren zwaard vechten. Het is vele malen gebeurd dat zijn moeder hem moest zoeken om naar de lessen te gaan.
‘Martino, Martino!’ riep zijn moeder dan, ‘waar hangt die jongen nu weer uit. Martino, de leraar wacht op je.’
De zware houten deur van de gebedsruimte zwaaide open.
‘Aha, zit je hier weer. De leraar wacht op je en hoe vaak moet ik het nog zeggen dat je gewoon naar je les moet gaan en van die koeken en het fruit af moet blijven.’
Eerlijk gezegd was de studie en zeker het zwaard vechten niet echt waar zijn hart naar uitging. Als het even kon, was hij te vinden in de zes meter hoge ruimte dat aan het huis gebouwd was. Het was de plek voor het Offeren aan de Huisgoden, Lares en Penates. Zij beschermden de familie tegen onheil, door middel van koeken, vruchten en kruiden die in een vuurbak gelegd werden en waarbij zijn vader, de pater familias, in gebeden voorging. Meestal nam Martino wat restjes van de offeranden mee en gebruikte dat voor de verweesde jonge dieren die hij samen met Andreas opving.
Het was ongelofelijk stil in dit gedeelte van het huis. Andreas had een kleed en een zitkussen in de hoek van de ruimte gelegd en zat daar bijna elk moment van de dag. Het was een mooie plek om te fantaseren, terwijl de zon via allerlei kieren de ruimte binnen wist te dringen. Het mooiste moment van de dag was rond het middaguur, dan scheen de zon door een hoog raam op het Gezicht.

‘Dit is de laatste keer dat ik mijn krachten gebruik voor een duiveluitdrijving, Andreas’, zegt Martino, ‘het wordt tijd om afstand te doen van het Gezicht, ik heb mijn rust nodig.’
In de ogen van Andreas ziet Martino verdriet zoals hij dat vroeger zag als een zwerfdier het uiteindelijk toch niet overleefde.
Andreas draait zich om: ‘De keuze is aan jou, Martino. Maar of het je rust gaat geven betwijfel ik. God zal je de juiste weg wel wijzen.’
Zijn mannen hebben het vuur klaar gemaakt en zorgen voor de wacht, twee man blijven met hun volle aandacht bij de kar met het kruisbeeld en ook Andreas zal zijn zitkussen naast het beeld plaatsen en waakzaam zijn. Hoe hij dat volhoudt weet Martino niet, maar de ogen van zijn vriend heeft hij nog nooit dicht gezien.

Sinds keizer Constantijn de Grote aan de macht was gekomen, had Martino’s Romeinse familie zich naar het Christendom bekeerd. En vanaf die tijd hing de Volto Santo, het Heilige Gezicht hoog boven de huisgoden in een apart gedeelte van hun huis. Zijn vader had verteld dat het kruisbeeld al eeuwen in bezit van hun familie was. Een voorouder die Nicodemus heette, had Christus van het kruis genomen en later een beeld naar zijn gelijkenis gesneden uit een ceder van Libanon.
Het Gezicht gaf hem altijd een prettig gevoel, er straalde rust van uit, net of het wilde zeggen: ‘Het is goed Martino, jij bent niet op aarde om te vechten, maar om goed te zijn voor de mensen en dieren.’
Martino herinnerde zich nog die keer dat Andreas volledig van streek met zijn hond Tarantula bij hem was gekomen. Tarantula was ziek, doodziek. Op zijn buik voelde hij een dikke uitstulping.
‘Help ons Martino, jij alleen kan ons helpen,’ jammerde Andreas. Martino was op dat moment aan het spelen in de ruimte met de beschermheiligen.
‘Wat kan ik doen? Ik kan geen honden beter maken?’ zei Martino, terwijl Andreas de hond naast hem neerlegde. Martino streelde de hond en voelde met zijn hand de enorme uitstulping onder aan de buik van de hond. Met tranen in zijn ogen keek hij naar het Heilige Gezicht en hij riep: ‘Is er dan geen enkele God die medelijden heeft met dit arme dier, is er dan niemand van jullie die ziet, hoe mijn vriend lijdt?’ En terwijl hij over de bult streelde, voelde hij hoe de spanning van de huid afnam. Hij zag dat het dier langzamer begon te ademen en even zijn kop op tilde, hem aankeek.
‘Via il dolore, per favore,’ sprak Martino, ‘haal de pijn weg, alsjeblieft.’
De bult werd zienderogen kleiner en kleiner, tot de hond zich oprichtte en overgaf, het geluid ging de jongens door merg en been. De hond schudde zich daarna uit, waarbij vlokken haar in de rondte vlogen en begon te eten en te drinken. Op een wonderbaarlijke manier was de hond genezen.
De jaren daarna waren er meer van dit soort voorvallen geweest. Het was niet onopgemerkt gebleven voor zijn ouders en de mensen uit de stad. Elke dag stonden er weer mensen voor het huis, met zieke dieren en mensen.
Natuurlijk kon hij hen niet beter maken, hij was een gewone Romeinse jongen, maar soms, soms gebeurde er iets magisch.
Op zijn vijftiende jaar werd Martino als soldaat, zoals alle jonge Romeinen die zo opgevoed werden, door zijn vader naar Gallië gestuurd, een Romeinse veldheer had zijn hulp ingeroepen. Zijn vader had hem twintig mannen meegegeven en genoeg paarden om hen te dragen en het Gezicht mee te nemen. Martino en het Gezicht moesten bij elkaar blijven. In zijn kielzog trok ook Andreas mee.
Bij de stadspoort van Amiens trof hij een bedelaar, aan wie hij de helft van zijn tunica gaf. Omdat de helft van de mantel eigendom was van Rome kon hij slechts zijn eigen helft weggeven. Deze daad en de wonderen die er rondom hem gebeurden, zorgde ervoor dat mensen van heinde en verre naar hem op zoek gingen. De Romeinse veldheer zette hem niet als vechter in, maar zag in, dat hij op deze manier de Galliërs op zijn hand kon krijgen.
Na dertig jaar als een soort heilige geleefd te hebben, nam Martino het besluit om rust te zoeken en te overdenken wat hij verder in zijn leven zou willen. Martino en Andreas reisden af naar een eiland bij Genua. Ver weg van de mensen die hem kenden, die hem vereerden. Hij had er eerlijk gezegd meer dan genoeg van en wilde een normaal bestaan lijden zoals hij dat van thuis kende in Hongarije.

Vroeg in de ochtend was er al rumoer op het strand. De bisschop van Lucca met zijn gevolg had de hele nacht doorgereden om vandaag Martino te ontmoeten. Hij had veel over hem gehoord en wilde de man nu met eigen ogen zien en spreken.
Een paar dagen geleden had hij een afgezant naar Martino gestuurd met de boodschap dat er een schip was vastgelopen op de kust van Luni, een schip zonder bemanning aan boord. Dat moest het werk zijn van de duivel. De bisschop had gehoord van Martino en de wonderbaarlijke situaties die ontstaan als hij ergens bij werd gehaald.
Met een buiging begroet Martino de bisschop, die op zijn knieën valt en de tunica van Martino in zijn handen pakt.
‘Welkom Martino, helper van de armen en verdrijven van de duivel,’ zegt de bisschop.
‘Beste bisschop, sta op en laat mij U begroeten,’ glimlacht Martino.
‘We gaan straks naar het schip. Ik zal het zuiveren van alle kwade geesten, maar ik heb wel één vraag aan U.’
‘Natuurlijk, vraag mij alles en ik zorg dat het U aan niets ontbreekt,’ zegt de Heilige van Lucca.
‘Neem na afloop het Gezicht mee naar Uw stad en verberg het voor de mensen.’
‘Nee, Martino, dat kan je niet …,’ begint Andreas.
Met een handbeweging maant Martino zijn vriend aan tot stilte.
‘Neem het in alle stilte mee. Zorg dat de mensen het niet te zien krijgen, dat is alles wat ik van U vraag.’
De bisschop belooft het, maakt drie buigingen, slaat een kruis en loopt achteruit bij Martino vandaan.
‘Andreas, vannacht is mij verteld dat het Gezicht van me gescheiden moet worden.’
‘Maar dan scheiden onze wegen ook. Je weet dat ik nu niet meer bij je kan blijven.’
Andrea hoopt dat zijn vriend het besluit nog zal terugdraaien.
Martino omhelst en drukt hem tegen zich aan.
‘Ik moet voor een volgende opdracht terug naar Frankrijk, terug naar Tours. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Dit zal ook ons afscheid zijn. Jouw taak is het om het Gezicht te beschermen. Help me bij het zuiveren van dit schip en ga dan.’

Met een kleine boot varen ze naar het grote ‘duivelse’ schip en als Martino de kiel kan aanraken, zet Andreas met een paar mannen het kruisbeeld rechtop.
Martino zegt: ‘Ecce crucem Domini, fugite partes adversae, vicit Leo de tribu Juda, radix David. Exorciso te, creatura ligni, in nomine Dei patris omnipotentis, et in nomine Jesus Christi filii eius Domini nostri, et in virtute Spritus Sancti. Aanschouw het kruis van de Heer, en mogen zijn vijanden vluchten, de leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen, de wortel van David. Ik exorciseer u, schepsel van hout, in de naam van God de almachtige vader, in de naam van Jezus Christus, zijn zoon en onze Heer, en in de macht van de Heilige Geest.’
Martino en Andreas kijken elkaar aan, een blik vol berusting en vertrouwen.
Via een touwladder klimmen de mannen aan boord en lopen langs de fokkemast en boegspriet. Er was geen schieman, schipper, opperkoopman of zelfs maar een koksmaat te vinden op het vaartuig. Geen vlag, geen encryptie, geen dier en geen duivel treffen ze aan, alleen een grote lading met huiden en kisten vol met zilver.

In ruil voor het kruisbeeld krijgt Martino van de bisschop het schip met inhoud.
De bisschop neemt het Gezicht in alle stilte mee naar Lucca en pas honderd jaar later wordt het geplaatst in de Duomo de St Martino. Mocht je de Duomo ooit bezoeken, kijk dan eens naar de rechterzijkant van de kerk, daar zie je de nooit stervende Andreas zitten. In al die jaren is zijn aandacht nog altijd niet verslapt, zijn blik gericht op de Volto Santo.

Een paar weken na de ruil, als het schip ontdaan van zijn lading en het hoogwater is, lukt het om het schip los te krijgen van de bodem en reist Martino ermee naar Tours in Frankrijk.
Daar zal hij later tot bisschop worden gekozen door de inwoners van die stad. Volgens overlevering vond hij zich niet waardig genoeg voor dat ambt, en verstopte zich in een ganzenhok. Toen zijn aanhangers hem gingen zoeken, gingen de ganzen te keer waardoor zijn schuilplaats ontdekt werd. Zo kwam het dat hij alsnog tot bisschop gewijd kon worden.
Godswegen zijn ondoorgrondelijk.
Ieder jaar wordt nog steeds st. Maarten, zijn naamdag, op 11 november gevierd door de mensen uit Nederland, Vlaanderen, Noord-Frankrijk, sommige Duitse gebieden, Hongarije en op Sint Maarten.

Sint Martinus Bisschop
roem van alle landen
Dat we hier met lichtjes lopen,
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijk man
Die ons wel wat geven kan,
Geef me appel of een peer,
Ik kom het hele jaar niet meer.

En nog veel meer ….